Eliasson in Versailles

Eliasson, Olafur, 2016, Waterfall, Versailles, K16, 02

Nadat het lange tijd erop leek dat de fut er voorgoed uit was werkt Parijs de laatste jaren met nieuw elan aan zijn status van kunstmetropool. Zoals met het Palais de Tokyo, de expositieruimte die met zijn rijke en gedurfde programmering is uitgegroeid tot een van de belangrijkste internationale centra van actuele kunst. Of ook het Centre Pompidou dat met zijn fraaie overzichts- en thematentoonstellingen een kwaliteit handhaaft die je elders nog maar zelden tegenkomt. En dan zijn er ook nog elk jaar twee kunstevenementen van de buitencategorie: Monumenta in het Grand Palais en de zomerpresentatie in Versailles. Beide op een unieke locatie ingericht als podium voor kunstenaars uit de wereldtop, beide beschikkend over een vorstelijk budget.
Wie wil ervaren wat de combinatie van grote naam, unieke locatie en onbeperkt budget mogelijk maakt: In Versailles nodigt Olafur Eliasson nog tot het einde van de herfst de bezoeker uit voor een wandeling in het door hem omgetoverde paleis en park. Als je even de kans hebt: doen! Eliasson is niet voor niets een van dé grote sterren van nu. Weinig kunstenaars die in staat zijn om grote thema’s op zo’n heldere en indringende manier te verbeelden als hij. Overigens: wie het ontziet om urenlang in de rij te staan: ook als je je tot de drie werken in het park beperkt is het de reis meer dan waard.

Eliasson, Olafur, 2016, Waterfall, Versailles, K16, 04 Eliasson, Olafur, 2016, Waterfall, Versailles, K16, 05

Het thema is water. Water zoals dat gegeven is in de grote bassins en fonteinen die het hart vormen van het ontwerp van park, maar ook water in zijn tijdloze betekenis: stromend water als hét beeld van het leven.
Het eerste dat je ziet is het nogal ontnuchterende beeld van een kale stalen constructie die in de verte vanuit het centrale bassin zo’n vijftig meter omhoog rijst. Dit moet de waterval zijn waar zoveel om te doen is. Ook als even later de pompen worden aangezet en het water met veel geweld naar beneden stort blijft een gevoel van teleurstelling hangen. Is dit het nou?
De waterval blijkt deel uit te maken van een ensemble van drie grote werken die de verschillende gedaanten van water tonen: als vaste stof, als gas en als vloeistof. In het Bosquet de la Collonade is het bassin gevuld met het residu van een Groenlandse gletsjer: Glacial rock flour garden is de titel. Iets verderop is in het Bosquet de l’Étoile Fog assembly te zien, een installatie die het omringende groen hult in een dichte mist. En het midden dus Waterfall.

Eliasson, Olafur, 2016, Waterfall, Versailles, K16, 09

Drie werken die een geheel vormen maar die elk ook hun eigen verhaal vertellen, nauw verbonden met hun plek in het park. Wandelend van het een naar het ander kom je vanzelf ook binnen in het ontwerp van André Le Nôtre, in het klassieke Franse park dat zowel decor van het hof, speeltuin van geliefden als oord van contemplatie is. Dat laatste vooral: je wordt opgenomen in een geometrisch arrangement van ruimten waar je ver van alle dagelijkse beslommeringen deelgenoot wordt aan een geestrijke dialoog van natuur en cultuur. Olafur Eliasson speelt hier subtiel op in door er de suggestie van een mystieke betekenis aan toe te voegen. Het fundament was er al: de zeventiende-eeuwse tuin van Le Nôtre als het beeld van een aan de kosmische orde onderworpen natuur – een beeld overigens dat perfect beantwoordde aan de aspiraties van de regering van Lodewijk XIV. De nieuwe laag die de kunstenaar toevoegt is die van een bezielde schepping waarin alles dingen, wezens en verschijnselen zijn verenigd in één levende realiteit.

Eliasson, Olafur, 2016, Waterfall, Versailles, K16, 14

Allerlei gedachten dringen zich op. Aan de romantische hartstocht die de klassieke schoonheid tart, aan de al eeuwenoude clash van het noordelijke idealisme en het Franse rationalisme, aan Eliasson als een typische exponent van ons eigentijdse verlangen naar verdieping en betekenisgeving. Gedachten die ver terug reiken in de geschiedenis en die zeker een belangrijke rol gespeeld hebben in de totstandkoming van dit werk, maar die – en dat is het mooie – ter plekke worden overruled door de kracht van de ervaring.
Als Eliasson al een romanticus is, dan wel eentje die wars is van alle gezwijmel. Om het effect van zijn werk te vergroten betrekt hij je nadrukkelijk bij de constructie ervan. Als een illusionist die de toeschouwer van te voren al zijn geheimen verklapt, om hem vervolgens nog meer te kunnen betoveren met de kracht van zijn kunst. Verdwijnkunst in het kwadraat: bij je volle verstand ervaar je hoe de rede oplost in de verbeelding.
Dat was precies wat gebeurde toen ik over de hoofdas van het park terugliep naar de waterval. De zon droeg het zijne bij door het spel te spelen waar het park voor bedoeld is, zich verbergend achter de wolken om plotseling weer tevoorschijn te piepen. Opeens lichtte het neerstortende water op als een uit de hemel stromende rivier van licht. De installatie was nog evengoed zichtbaar, je wist nog altijd van de kracht die nodig was om het water naar boven te pompen, maar het beeld was zó sterk dat dat allemaal in een klap werd weggevaagd. Dwars door alle feitelijkheid heen triomfeerde de kunst.

Olafur Eliasson in het Château de Versailles, tot 30 oktober
Olafur Eliasson is een van de kunstenaars in de reeks Life & Times die 4 oktober van start gaat, klik hier voor informatie of aanmelding

Lee Kit

Lee Kit, , S.M.A.K., 2016, 01

Lee Kit, 38 is de kunstenaar, geboren in Hong Kong en woonachtig in Taipei. Met een groot artikel in Parkett én een dubbelexpositie in het Walker Art Center in Minneapolis en het S.M.A.K. in Gent staat hij deze zomer vol in de belangstelling. En terecht, in Gent kun je zien waarom.
Op de terugweg drong zich één vraag vooral op: was het de tentoonstelling als geheel of waren het de werken afzonderlijk? Lee’s beeldtaal is licht en verfijnd, op momenten heel indringend maar soms ook ondoorgrondelijk. Neem zijn fixatie op handen. In allerlei werken komen ze voor, bewegend of bevroren in een gebaar. Soms ook indirect, bijvoorbeeld in werken waarin het over handcrême gaat. Ook al zoiets, Nivea!
Handen staan voor verbinding maar ook voor een gebarentaal die grenzen overschrijdt en uit ons collectieve bewustzijn put. Al kijkend en associërend kom je een heel eind en toch, je houdt het gevoel dat het hier om iets heel persoonlijks gaat, iets dat toch vooral met de bijzondere culturele achtergrond van de kunstenaar te maken heeft – Nivea in China? -, of anders wel met zijn intieme leven. Hoe dan ook: iets waar je buiten staat.

Lee Kit, , S.M.A.K., 2016, 02

Dat je dat niet als een belemmering ervaart komt omdat je al binnen was. Dit is het punt waar alles om draait: over het spel dat Lee met binnen en buiten speelt, de wijze waarop hij beelden projecteert in de ervaringsruimte van het individu. Dit is het moment ook dat Johannes Vermeer in beeld komt, de favoriete schilder van Lee en de kunstenaar die hem op het goede spoor heeft gezet.
Een Chinees in de ban van Vermeer, het zal meer voorkomen. Waar het bij Lee Kit om gaat is echter dat hij Vermeer niet alleen bewondert maar ook lééft. Zoals de Hollandse meester het in de zeventiende eeuw deed, zo doet hij nu: al schilderend een plek voor jezelf afbakenen en middels kunst positie nemen in de wereld. Of ook: het leven inrichten rond de intimiteit van het dagelijkse bestaan en de kunst inbrengen om dit uit te vergroten tot een tijdloos, bovenpersoonlijk beeld.
De tentoonstelling in Gent maakt voelbaar wat dit kan betekenen. Je komt binnen in een huiselijk interieur. Het gedempte licht dat door de half afgedekte vensters naar binnen valt, de stukken vloerbedekking die, nauwkeurig gearrangeerd, her en der zijn neergelegd, de schemerlamp in het hart van de ruimte, de blauw getinte muren, uit alles spreekt dezelfde verstilde intimiteit die we ook van de schilderijen van Vermeer kennen. Alleen, nu niet als object van waarneming maar als ruimte van beleving, niet geprojecteerd op een vervlogen tijd maar overgeheveld naar de realiteit van nu.
Niet dat daarmee alles is gezegd, zeker niet. Lee’s werk mag dan alle mogelijke verwijzingen bevatten – behalve naar Vermeer met name ook naar Kafka -, uiteindelijk gaat het toch vooral om Lee zelf, om zijn persoon en zijn verbeeldingswereld. Om een kunst waar je niet zomaar binnen komt maar die des te fascinerender is omdat ze vreemd en ver maar evengoed dichtbij en invoelbaar is.

Lee Kit, A Small Sound in Your Head, S.M.A.K. Gent, tot 4 september

Marten en Oopjen

Rembrandt, Marten Soolmans en Oopjen Coppit, 1634

Het zal voor menig bezoeker even schrikken zijn geweest. Kom je eens kijken waar het in al die verhalen op TV en in de krant nou eigenlijk om te doen is, staan de minister en de museumdirecteur je bij de deur op te wachten om je hoogst persoonlijk welkom te heten. Ik was alleen maar nieuwsgierig, wilde je nog zeggen, maar voor je het wist was je al binnen. De rest ging vanzelf. Je voelde hoe je werd opgenomen in iets groters, iets waarvan je het bestaan niet kende, dat zich moeilijk laat beschrijven maar dat meteen smaakte naar meer. Het aanstekelijke enthousiasme van de minister, al die glunderende mensen om je heen en dan ook nog de schilderijen zelf, hoe ze daar naast de Nachtwacht hingen, geweldig toch!
Voor Marten en Oopjen zelf moet het ook een vreemde ervaring zijn geweest. Best verwarrend ook. Eerst een leven lang deel te hebben gehad aan het intieme leven van baron De Rothschild en dan opeens te worden afgedankt. Louter vanwege het geld. Om daarna weer maandenlang onderwerp te zijn van een pijnlijke touwtrekkerij tussen Frankrijk en Nederland. Met alles wat die aan diep verborgen en lang vergeten gevoelens van eer, prestige en macht aan de oppervlakte bracht. En nu dus in Amsterdam, als het stralende middelpunt van een namens de Nederlandse regering georganiseerde receptie voor het volk. Ook heel vreemd, een zelffelicitatie die blijkbaar in een grote behoefte voorziet maar die toch vooral de verwarring en onzekerheid toont waar de eenentwintigste eeuw aan lijdt.

Rembrandt,  Isaäk en Rebekka, Het joodse bruidje, ca. 1665

Voer voor antropologen. Met kunst heeft het in elk geval weinig van doen en met geschiedenis al evenmin. Je kunt je toch moeilijk voorstellen dat minister Bussemaker niet heeft geweten van de handel waarmee Martens vader rijk geworden is? Een week eerder nog sprak ze op de nationale herdenking van de afschaffing van de slavernij roerende woorden over wat het besef dat de betovergrootvader van haar kleinkind nog als slaaf was geboren met haar deed.
Ook als het over kunst gaat kunnen we kort zijn. De portretten van Marten en Oopjen tonen Rembrandt als de virtuoze vakman die hij op zijn achtentwintigste al was. Niet als de grote kunstenaar die hij nog zou worden. Eén blik in het kabinet links voor de Nachtwacht en je ziet meteen waar het over gaat. Daar hangt een ander dubbelportret, dat van Isaäk en Rebekka, beter bekend als Het Joodse bruidje. Een kunstwerk van een kaliber waarvan er in de hele geschiedenis maar een paar te vinden zijn. Als Taco Dibbets in DWDD ronkt over ‘Rembrandt op de toppen van zijn kunnen’, dan heeft hij het dus niet over déze Rembrandt, wél over de jonge ster die met veel bravoure de wereld betoverde. Die met de portretten als van Marten en Oopjen triomfen vierde in de hoogste kringen van de Hollandse handelselite en daar niet weinig trots op was. De jonge god die, wetende van zijn ware roeping en talent, de inherente potsierlijkheid van dit soort werk met een lach zal hebben afgedaan. Precies wat wij ook zouden moeten doen, met het hele gebeuren eromheen inbegrepen.

Marten Soolmans en Oopjen Coppit, met Willem, Maxima en François Hollande, 2015

Art Basel

Wolfgang Tillmans, 2016, Zonder titel

Wolfgang Tillmans, 2016, Zonder titel

Zelden zoveel glunderende hoofden bij elkaar gezien, je kon erover lópen! Zou het de kunst zijn die dit doet? Of speelt ook iets anders? Eén ding is zeker: geen plek ter wereld waar meer welvaren samenkomt dan in Basel tijdens de vier dagen van ’s werelds grootste kunstbeurs. En dat merk je aan alles, van een glas water van zes euro tot een print van honderdtachtigduizend.
Maar hoe zou het ook anders kunnen? Er is maar één topbeurs en daar wil iedereen naar toe. En die print is een geweldig werk dat hoog op het verlanglijstje van menig museum en verzamelaar staat. Wie zou er zijn bezoekers niet mee willen betoveren?
Het is in de kunst niet anders dan in de rest van de wereld. Ook hier gelden de wetten van de schaarste. Zoals dat er altijd veel meer verlangen en geld is dan visie of smaak. Dat er geen grens is aan kwaliteit en dat alleen het allerbeste de rol toekomt ons werkelijk te vervoeren. Zoals die print van Wolfgang Tillmans bijvoorbeeld, zo’n drie meter hoog, volkomen abstract en toch vol leven, intens van kleur en op een wonderlijke wijze het beste van fotografie en schilderkunst verenigend.

Mark Manders, 2011-15, Room with Unfired Clay Figures

Mark Manders, 2011-15, Room with Unfired Clay Figures

Of de kleisculpturen van Mark Manders, nog zo’n topper. Te koop bij Zeno X uit Antwerpen, naar verluid voor anderhalf miljoen. Prijskaartjes hingen er niet bij maar het zou me niets verbazen. Geweldig werk, mysterieus en fascinerend. Alleen al hoe die koppen de tijd weerstaan en de hele kermis om hun heen reduceren tot ijdele druktemakerij. Kunst waar je niet omheen kunt, ook niet als je er niet zo veel me ophebt.
Waar zie je dit?

Andrea Crespo, 2016, Signals

Andrea Crespo, 2016, Signals

Met groeiende verwondering laat je je meevoeren. Alles bekijken is onmogelijk en het is vooral ook zaak om je antennes goed af te stellen. Zeker als je ook for business en niet alleen for pleasure bent gekomen.
Op de hoofdbeurs valt het meeste sowieso af. Daar ga je vooral heen voor het spektakel van de grote sterren. Zelden dat je er nog werk vindt dat én betaalbaar én relevant is.
Als koper/verzamelaar van jonge, hedendaagse kunst moet je het hebben van de side events, de twee bijbeurzen die elk op zich trouwens ook weer une mer à boire zijn. De eerste, Volta, kun je wel weer schrappen: veel light art en weinig substantieels. Kunst voor boven de bank. Blijft eigenlijk alleen Liste over, de beurs voor ambitieuze galeries die de grenzen opzoeken en veelal met jonge kunstenaars proberen te scoren. Zoals Kraupa-Tuskany Zeidler met Andrea Crespo: 24, vrouw/man, New York, op een even lucide als indringende wijze bezig met kunst die sociale media en biotechnologie inzet voor het onderzoek naar een nieuwe seksuele identiteit. Geestrijk, spannend en 100% van nu.

Alles of niets

Scholte Rob, 2015, Embroidery Show, K16, 01

Stel je voor: zalen achter elkaar gevuld met honderden doeken en doekjes, allemaal met dezelfde soort lijst, dicht op elkaar in groepen geordend. Als mozaïek maar ook elk afzonderlijk zó kleurrijk en zó veel dat je je vanzelf verliest in een gulzig kijken. Om je even later met enige schrik af te vragen waar je eigenlijk mee bezig bent. Want wat stelt dit nou helemaal voor, niets toch?
Toch blijf je gebiologeerd, als een kind in een snoepwinkel.

Scholte Rob, 2015, Embroidery Show, K16, 24
De zaaltekst geeft aan dat het Rob Scholte vooral te doen is om alle liefde en geduld die de anonieme makers in hun borduursels stopten. Al die uren van ijver en toewijding om, precies volgens het aangeleverde patroon, tot een zo fraai mogelijk Melkmeisje in kruissteek te komen. Door de doeken om te draaien maakt Scholte de worsteling met deze opdracht zichtbaar. Bij de een zijn alle losse eindjes netjes afgeknipt en weggewerkt, de ander was minder benauwd en liet de achterkant ontaarden in een bonte chaos. Met vaak verrassende resultaten: De Nachtwacht maar dan als abstract-expressionistisch schilderij. En toch nog steeds De Nachtwacht.
De Embroidery Show is in de eerste plaats een kunstwerk op zichzelf. Met zijn gigantische installatie transformeert Scholte de traditionele witte wanden van het museum tot een bont mozaïek van kleurvelden. Dat alleen al: dat alle plechtigheid is opgeheven, dat je geen enkele moeite hoeft te doen om binnen te komen, niets hoeft te weten en je je meteen kunt overgeven aan alleen maar kijken. Hoe langer je dat doet hoe meer je ontdekt.
Iedere wand vertelt weer een verhaal apart. Daar gaat het dus ook over: de kunstgeschiedenis met zijn genres, zijn periodes en stijlen. De gemeenschappelijke deler is dat alle werken geborduurde versies van bekende schilderijen zijn. Een vette knipoog zou je zeggen, en dat is het zeker. Maar er is meer.

Scholte Rob, 2015, Embroidery Show, K16, 18
Veel meer. Dat zó gepresenteerd alle kunst gelijkgeschakeld is bijvoorbeeld. Het Zigeunerinnetje doet niet onder voor het Melkmeisje. Dat je kijkt naar reeksen reproducties die allemaal zo dicht mogelijk bij het origineel proberen te komen maar toch een individueel stempel dragen. De kunstfilosofie van Walter Benjamin, maar dan zonder tekst, in kruissteek! Maar vooral toch dat alle pretentie is opgeheven, dat je zonder enige verplichting zelf met de kunst en de geschiedenis aan de slag kunt zonder je ook maar een moment te vervelen.
Wat oogt als een gimmick ontpopt zich gaandeweg als een uiterst geestrijk exposé. Rob Scholte’s Embroidery Show: zelden was kunst leuker.

Rob Scholte’s Embroidery Show, Museum De Fundatie Zwolle, tot 18 september

Neuen Wilden

Oehlen, Albert, 1982, Führerhauptquartier

Albert Oehlen, Führerhauptquartier, 1982

Schilderen als een daad van bevrijding, als een radicale afwijzing van alle gezag en pretentie en als een bewuste provocatie van de goede smaak. Maar mét dit alles toch vooral ook een omarming van het echte leven. Want dat laatste is wat je het sterkste voelt, die aanstekelijke, zinderende energie die rechtstreeks uit het leven zelf voortkomt en die, rauw en direct vertaald in verf en kleur, ook na vijfendertig jaar nog maar weinig aan kracht heeft ingeboet.
Misschien dat onze tijd ook best wel weer eens zo’n shot kan gebruiken. Onversneden levensdrift als tegenwicht voor twijfel en onzekerheid, voor navelstaarderij en getuttebel? Niet dat ik denk dat het dáárom zo druk was in het Groninger Museum. Je kon over de hoofden lopen maar dat was, vrees ik, toch vooral te danken aan de door de bankgiroloterij georganiseerde open dag met gratis openstelling. Niettemin: het zinderde, dat zeker, zowel van de kant van de kunst als van het publiek.
Ooit werden hun namen groot geschreven, een aantal is uitgegroeid tot internationale ster, maar de meesten zijn we ook al lang weer vergeten. Peter Bommels, Elvira Bach, Peter Angerman, wie kent ze nog. Martin Kippenberger en Albert Oehlen, die wel natuurlijk. Mooi om te zien trouwens hoe het ook voor hen ooit begon, toen ze zich als jonge schilders lieten meevoeren door hun tijd en wars van iedere behaagzucht of pretentie hun werk in dienst stelden van de politieke en maatschappelijke strijd.
Maar verder? Lopend over de tentoonstelling komt een aantal namen weer terug. Dokoupil bijvoorbeeld, geweldige schilder, lang niet meer van gehoord maar in zijn tijd wél een hele grote. Walter Dahn, Reiner Fetting, die zeker ook. En wat te denken van Salomé? Een van de Neuen Wilden die Rudi Fuchs in 1982 prominent presenteerde op zijn Documenta. Een schilder die daarna zijn sterstatus vooral te gelde maakte met society-portretten, maar wiens carrière ooit begon met duistere homo-erotische schilderijen vol seks en bloed. Blutstutz uit 1979 is nog altijd een verbijsterend schilderij en een van de toppers op de tentoonstelling.

Salomé, Blutstrurz, 1979

Salomé, Blutstrutz, 1979

We schrijven de vroege jaren tachtig. Duitse kunst was hot. Nadat de grote kanonnen van de vorige generatie – Baselitz, Lüpertz, Polke, Richter, Kiefer – de weg hadden vrijgemaakt, zetten de jongeren de boel op scherp. Met grof geweld werd het bastion van de kunst opengebroken. Een daad van verzet en minachting die een aangename huivering teweeg bracht en die – zij het maar voor even – de verleidelijke illusie van een geheel nieuw begin in zich droeg. Een illusie waar je je ook nu nog graag aan laaft. Ga naar Groningen en zuig je vol!

Nieuwe Wilden, Groninger Museum, tot 23 oktober