Nicolas de Staël

De laatste schilderijen op de tentoonstelling zijn zó anders dat je er niet aan ontkomt er een aankondiging van het naderende einde in te zien.

Als Nicolas de Staël in maart 1955 zelfmoord pleegt – of zoals de Fransen het uitdrukken: zichzelf de dood schenkt – is hij 42 jaar oud en in de bloei van zijn schildersleven. De voorafgaande tien jaar heeft hij stap voor stap een eigen, zeer herkenbare stijl ontwikkeld en is hij uitgegroeid tot een van de belangrijkste Europese vertegenwoordigers van de lyrisch abstracte schilderkunst.

Nicalas de Staël, Composition Grise, !947-50, 200 x 400 cm

De overzichtstentoonstelling in de Fondation Pierre Gianadda in het Zwitserse Martigny brengt alle fasen van zijn ontwikkeling in beeld. Van de eerste dynamische composities in de stijl van de Ecole de Paris, via de bekende monumentale paletmesdoeken tot aan de vluchtig gepenseelde laatste werken. Met al die schilderijen bij elkaar realiseer je je pas goed hoezeer deze kunst het product is van een tijd die gebukt ging onder het gewicht van de geschiedenis en waarin elk woord, elke noot en elke penseelstreek in het teken stond van de zoektocht naar de waarheid. Schilderen was voor De Staël de totale sensitiviteit, de volledige overgave en de bereidheid om ten onder te gaan voor een glimp van triomf. Met elk nieuw doek begon de strijd weer van voor af aan. Tegen de ontzagwekkende grootsheid van het lege witte vlak, tegen de inertie van de materie, het verlies van concentratie, tegen het besef vooral ook dat alles ijdel is, onderworpen aan het menselijke tekort. Voor hem was een goed schilderij evenzeer gedragen door de idee als door de waarneming, het was noch abstract, noch figuratief. Louter dienstbaar aan de kunst was het zuiver gedefinieerd in termen van kleur en licht, van ruimte en materie, gedacht in zijn unieke vermogen het bestaan in zijn geheel te omvatten en een daarmee een diepere waarheid te openbaren. Het was aan de schildert om hiervoor de weg vrij te maken. Elke dag weer opnieuw.

Een onmogelijke opgave.

Nicalas de Staël, Paysage, 1952, 38 x 55 cm

Nicolas de Staël 1945-1955, Fondation Pierre Gianadda, Martigny, t/m 21 november

reageer

Chefs-d’oeuvres?

Chefs-d’oeuvres? is de titel van de openingstentoonstelling van het Centre Pompidou Metz. Meesterwerken? dus, waarbij het vooral om dat vraagteken gaat. De presentatie betreft niet alleen de ‘meesterwerken’ zelf maar meer nog de vraag wat hen tot zodanig bestempelt, welke waardesystemen hierbij actief zijn en hoe deze zich in de loop der tijd ontwikkelden.

Een tentoonstelling waar je op twee manieren naar kan kijken.

In de eerste plaats als een zonder meer grootse en indrukwekkende presentatie van de kunst van de 20e eeuw. De 700 werken die hier bij elkaar zijn gebracht onderstrepen nog maar eens hoe ongelooflijk vruchtbaar, vernieuwend en rijk de meest gewelddadige periode uit onze geschiedenis is geweest. Dit verhaal krijgt des te meer reliëf omdat er naast het mainstream-modernisme ook ruime aandacht is voor de ontwikkeling in de breedte, voor zijwegen, tegenstromen, reacties, enz. Een nuancering die de tegenstelling tussen moderniteit en traditie relativeert en ons dicht bij de werkelijke ontwikkelingen brengt.

Zo kennen we Albert Marquet als een van de grote pioniers die in vroegste jaren van de eeuw brak met de klassieke regels. Veel minder bekend is zijn werk van direct na de Eerste Wereldoorlog, als de schilder – net als veel van zijn radicale vakbroeders van weleer – terugkeert naar een meer academische, naturalistische opvatting. En nog steeds hele mooie schilderijen maakt die, hoe traditioneel ook, wel degelijk typisch twintigste eeuw zijn. La Femme blonde uit 1919 is daar een fraai voorbeeld van.

Wat de tentoonstelling ook laat zien is een nogal doorzichtige en uiteindelijk ook wel geforceerde poging om een gegeven beperking als bewuste keuze te presenteren. De echte topstukken – op die ene grote Picasso na – moesten in het moedermuseum in Parijs blijven. Tsja.

Wat onverlet laat, dat er heel wat te genieten valt. Het is wel de vraag of het Centre Pompidou Metz ook in de komende jaren over de financiële middelen, de energie en de creativiteit zal beschikken om net zo bekwaam als nu van de nood een deugd te maken.

Jonge bezoekers voor Picasso’s Aubade

Chefs-d’oeuvres?, Centre Pompidou Metz, tot 25 oktober

reageer

Centre Pompidou Metz

Hoe vaak hebben we het niet al gezien, een stad die zichzelf opnieuw op de kaart wil zetten en daarvoor een nieuw, spectaculair museum laat bouwen? Nu dus ook Metz dat sinds begin dit jaar de trotse residentie is van een dependance van het Centre Pompidou.

Het gebouw, van de hand van de Japanse architect Shigeru Ban is inderdaad zonder meer spectaculair. Met zijn wit golvend dak op een gevlochten houten drager verheft het zich als een bovenmaatse prehistorische tent in de vrije ruimte aan de rand van de stad. Opwindend maar ook vreemd en enigszins bizar.

Onder de tent gaat een zuiver constructieve en streng conceptuele kern schuil. Het centrale thema blijkt hier de kijkdoos te zijn. Drie langgerekte, op elkaar gestapelde dozen dienen niet alleen als tentoonstellingsruimten maar ook als verrekijkers op de omgeving. Zo’n vijfenveertig graden ten opzichte van elkaar gedraaid en met volledig beglaasde uiteinden bieden ze een alzijdig panorama op stad en omgeving. De vista vanaf de derde verdieping richting de kathedraal is ronduit adembenemend.

Staande voor het museum probeer je je voor te stellen hoe het geweest zou zijn als de architect het bij dit thema had gelaten. Nu kijk je naar een architectuur die zich maar moeilijk laat lezen en waarin verschillende verhaallijnen door elkaar heen lopen die heel geforceerd met elkaar verbonden zijn. Een bewust gezocht effect, zoals blijkt uit onderstaande foto van de enorme loze ruimten die tussen kern en tent ontstaan en waar je vanuit het trappenhuis ruim zicht op hebt. Heel vreemd.

De eerste tentoonstelling met de titel Chefs-d’oeuvre? verdient een apart verslag. Hoe het ook zij, zowel voor het gebouw als de presentatie geldt: verdient een omweg.

Centre Pompidou Metz


reageer

Lichtenstein in Ludwig

De uitvergrote dot was zijn handelsmerk, overgenomen van de techniek van de vierkleurendruk als het radicaal onpersoonlijke alternatief voor de romantische penseelstreek.

Toen Lichtenstein in 1961 zijn eerste dot paintings presenteerde vierden de Abstract Expressionisten als Willem de Kooning en Franz Kline juist grote triomfen. Met hun intens doorleefde, persoonlijke stijl verbeeldden zij het ideaal van zelfverwerkelijking en innerlijke bevrijding. Het handschrift was hierbij de sleutel.

In Big Painting uit 1965 zien we Lichtensteins commentaar: de penseelstreek van de Abstract Expressionisten op gigantisch formaat zuiver technisch gereproduceerd. Wat blijkt? Juist de paradox van uitvoering en onderwerp, koel en afstandelijk versus intens en persoonlijk, maakt het tot een fascinerend kunstwerk. Des te meer ook omdat er nieuwe ruimte ontstaat voor de verbeelding van de toeschouwer.

Een ander voorbeeld: Woman with Flowered Hat uit 1963, Lichtensteins verwerking van Picasso’s Femme au chapeau fleuri uit 1939. Zet ze maar naast elkaar en kijk naar de verschillen. Ook in handen van Lichtenstein blijft de Picasso nadrukkelijk herkenbaar als een typische Picasso. Wat we ons realiseren is dat het zo geroemde handschrift van de meester er blijkbaar veel minder toe doet dan de visie die aan zijn werk ten grondslag ligt. Picasso heeft ons met andere ogen leren kijken, dáár gaat het om.

Maar evengoed is waar en met soortgelijke redenen te onderbouwen, dat het schilderij een typische Lichtenstein is geworden, met alle kenmerkende aspecten van zijn visie. Waarin, paradoxaal genoeg, de onpersoonlijke dot het unieke handelsmerk van die ene kunstenaar is geworden.

Wat een kunst! Nog tot 3 oktober te zien in Museum Ludwig in Keulen: Kunst als Motiv een ode aan Lichtensteins levenslange dialoog met de grote meesters.

reageer

Anne Tilroe

In de oude standenmaatschappij was bezig zijn met kunst eeuwenlang een van de natuurlijke voorrechten van de aristocratie.

In de moderne egalitaire wereld trad in de loop van de negentiende eeuw een nieuwe, burgerlijke elite naar voren. Deze kon zich niet beroepen op haar afkomst en legitimeerde haar prominente positie met haar dienstbaarheid aan de samenleving. Kunst diende ter verheffing van het volk; Bildung was het ideaal. Tot ver in onze tijd heeft deze Bildungselite het voor het zeggen gehad. Ze was moreel en intellectueel superieur en dicteerde alom de culturele agenda.

De eigenlijke democratisering kwam pas met de doorbraak van de massacultuur in de late twintigste eeuw, een ontwikkeling die met de komst van internet in een definitieve wending heeft genomen.

Dit zeer tot verdriet van de elite. Deze heeft in korte tijd veel terrein heeft moeten prijsgeven en ziet met lede ogen aan hoe de wereld, waar ze het zo goed mee voorheeft, ten prooi valt aan commercie en vervlakking.

Soms roert ze zich nog krachtig en probeert ze haar tanende gezag te herstellen. Zoals in het geval van Anne Tilroe, decennialang een van de opinion leaders van de eigentijdse kunst, maar inmiddels een van die autoriteiten van vroeger die denken de wereld de les te moeten lezen.

Het interview met haar in de laatste Kunstbeeld is wel heel verhelderend. Wat ze te zeggen heeft? Heel veel en vaak heeft ze nog gelijk ook! Alleen, het probleem is dat haar gelijk te groot is, te massief. Teveel gebaseerd op de illusie dat er verhaal mogelijk is en met te weinig oog voor de complexiteit van een wereld die zich eenvoudig weg niet meer onder één hoedje laat vangen. Al helemaal niet als het over kunst gaat.

Zie ook Kunst en engagement, Art Update 21 april 2010

reageer

Lena Rot

Lena Rot is de naam. Ze is 30 jaar, geboren in de Oekraïne en dit jaar afgestudeerd aan de kunstacademie van Düsseldorf. Als proeve van haar prilste stappen als zelfstandig schilder toont ze bij Galerie Fons Welters vijfentwintig werken. Nou ja werken, bij formaten van gemiddeld zo’n 35 x 25 cm is een verkleinwoord wel op zijn plaats. Paneeltjes zijn het, beschilderde stukjes hout, multiplex of spaanplaat, allemaal uiterst minimaal, ook in de uitvoering. Vaak gaat het om niet meer dan een paar vlekken, niet eens echt geschilderd. Soms ook om elementaire lijnen en vormen, meestal in één of twee gebonden kleuren. Het zijn aller elementairste vingeroefeningen die geen enkel ander doel lijken te dienen dan te kijken wat er met verf kan.

Twee paneeltjes,  als voorbeeld. Het eerste met een brede kwast nat in nat geschilderd, eerst met enkele verticale streken donkerbruin op de achtergrond en daarna met een paar rake horizontale bewegingen het wit daarin geschilderd. Genoeg om voor het oog een prachtig verhalend landschap te ontvouwen.

Het tweede is nog simpeler: een stukje wit geplastificeerde spaanplaat met daarop enkele elkaar overlappende vlekken rood, geel en blauw. Minder kan bijna niet en toch een compleet schilderij. Op zoek naar de essentie van haar metier bevrijdt Lena Rot het van alles wat niet ter zake doet. Wat overblijft is de sensitiviteit zelf. Het gevoel voor wat verf teweeg kan brengen, hoe kleuren en structuren op een plat vlak werken. In dit geval, hoe de drie primaire kleuren ruimte krijgen door het feit dat de twee zwarte vlekjes voor het oog op de voorgrond staan en mede daardoor het witte fond als een oneindige diepte werkt. Wie zich tot dergelijke sensaties laat verleiden kijkt niet meer naar een ding maar naar een beeld.

Overigens: de prijs van de schilderijtjes is gemiddeld € 300,-, bijna niets dus. Alhoewel, als er we nu allemaal eentje uitzoeken is de hele expositie zó uitverkocht en heeft de jonge kunstenaar toch een aardig bedrag gescoord. De twee die ik hier besproken heb zijn intussen in mijn bezit, de rest is op één na nog te koop, allemaal heel verrassend en fris.

Lena Rot, Galerie Fons Welters, Amsterdam, nog tot 31 juli.

reageer