National Gallery

Geef al die goden en heiligen, al die vorsten en nimfen nu ook eens wat te zien. Eeuwenlang al onderwerpen ze zich lijdzaam aan onze gulzige blikken. Maar wat hebben wij hen te bieden? Aan het slot van zijn drie uur lange epos vindt Frederick Wiseman het tijd om de rollen eens om te keren. De grote zaal met de Titiaans wordt leeg geruimd en twee dansers van de Opéra in Parijs verschijnen ten tonele voor een stijlvol pas de deux. Een vrouw en een man verenigd in een intens en lijflijk stuk, dichtbij gefilmd, mét alle piepjes en zuchten. En dat tegen de achtergrond van al die andere goddelijke lijven. Prachtig.
National Gallery is een geweldige film. Drie uur lang word je meegenomen in een wereld waarvan je wist dat hij bestond, waar je misschien al vaker op bezoek was maar die je nu pas in zijn ware gedaante leert kennen. Die van een organisme dat in zijn eigen tijd leeft en zich zelf voedt. Van een oase waar alle hectiek en druk zoveel mogelijk is buiten gesloten. Die van een instituut ook dat groter is dan al die mensen die het bestieren, stuk voor stuk trouwens de absolute top van hun vakgebied. Groter ook dan die vijf miljoen en meer bezoekers die er jaarlijks komen. Een instituut dat, ook al wordt het publiek gefinancierd, volstrekt autonoom is en waar uiteindelijk alleen de kunst het voor het zeggen heeft.

Een film die om zóveel redenen interessant is, ook om wat niet aan de orde komt. Geen stijlperioden bijvoorbeeld, nauwelijks jaartallen. Maar wel prachtige, geestrijke beschouwingen. Vergelijkingen zijn niet aan de orde. Ieder schilderij verdient het respect dat hem toekomt als levende getuige die in het hier en nu zijn verhaal doet. En daarvoor alle tijd en ruimte krijgt.

Op donderdag 12 maart geef ik in NatLab twee keer een inleidende lezing bij de film: om 13.00 uur en om 19.00 uur. De film zelf is die dag dan vanaf 14.30 uur te zien. Ga voor inschrijving naar www.natlab.nl of klik hier.

Louise en Jan

Soms komen de dingen op een onverwachte manier samen en kijk je opeens weer met nieuwe ogen. Het overkwam mij met de vicomtesse d’ Haussonville (zie ook artupdate 8 februari 2015) en Jan Six. Het feit alleen al dat hun beider portretten nu in Nederland te zien zijn! En dan ook nog de wijze waarop ze elkaar aanvullen en uitdagen.
Louise en Jan, kun je het mooier krijgen? De een, heel jong nog, maar wel een late representant van de aristocratische wereld, de ander, een stuk ouder, een van de eerste moderne burgers. De verschillen kunnen haast niet groter zijn. En toch, alleen al het feit dat ze allebei tot een oude wereld behoren maakt dat ze ook weer dicht bij elkaar staan.
Ik schreef het al: in Ingres’ portret van de jonge burggravin draait alles om stijl. De door het protocol gedicteerde afstand wordt door de schilder perfect vertaald in een visuele constructie. Uiterst helder van tekening, compositie en kleur en van een precies gedoseerde koelheid die uitnodigt tot lang en intens kijken, maar wél op afstand.

Rembrandt, Jan Six, 1654

Rembrandt doet precies het omgekeerde. Voor zover de figuur van Jan Six indruk maakt – en dat doet-ie – is dat niet vanwege zijn status maar juist vanwege het ontbreken ervan. Alle afstand is opgeheven, we zijn met Jan Six in één ruimte verenigd. Behalve het gezicht is alles onscherp en schetsmatig. Maar is dat niet precies zoals je echt kijkt? Althans als je je werkelijk met iemand verbonden voelt. Het gaat om de ogen die elkaar ontmoeten. De rest vervaagt in de periferie van de blik.
Waar Louise in het midden van de negentiende eeuw zich nog 100% toont als de hoedster van de oude standenmaatschappij, is Jan daar twee eeuwen eerder al helemaal mee klaar. Met zijn gelijkenis schilderde Rembrandt de eerste icoon van een egalitaire wereld. En een van de mooiste portretten ooit.

Late Rembrandt, Rijksmuseum Amsterdam, tot 17 mei
The Frick Collection – Kunstschatten uit New York, Mauritshuis, Den Haag tot 10 mei

Rembrandt, regisseur

Rembrandt, De blindmaking van Simson, 1631 / Suzanne en de ouderlingen, 1646

In zijn jonge jaren maakte hij, behalve als portrettist, vooral naam met zijn virtuoze actiescenes. De blindmaking van Simson bijvoorbeeld. Hij schilderde het toen hij nog geen dertig was, kort nadat hij van Leiden naar Amsterdam was verhuisd waar hij zijn eerste grote successen vierde. Later verschuift de aandacht naar dialoogscenes, het spektakel maakt plaats voor een subtiele uitwisseling van blikken, een spel waarin ook de toeschouwer actief wordt betrokken. Suzanna en de ouderen is er misschien wel het mooiste voorbeeld van.

Rembrandt, Het Joods bruidje, 1665

De écht grote Rembrandt moest toen nog komen, de schilder die alle vertoon overboord gooide en die de essentie van zijn metier vond in het woordloze wezen van het beeld. In de tijdloze ruimte waarin het bestaan zich onmiddellijk en volledig toont. Die Rembrandt is nu te zien in het Rijksmuseum. De man die deze laatste stap zette nadat hij in zijn persoonlijke leven door een diep dal was gegaan en was uitgekomen bij zijn enige onvervreemdbare en meest kostbare bezit: schilder te zijn. De Rembrandt van De badende vrouw. De Rembrandt van de late zelfportretten – ongeëvenaard, nog altijd – en natuurlijk van Het Joodse bruidje, het schilderij der schilderijen, een oerwerk waarmee feitelijk al het verhaal van de moderne kunst begint.
Negeer alle geronk van de reclames, laat onbenullen als Umberto Tan het gebaar van Isaac in Het Joodse bruidje maar als ‘geil’ bestempelen, ben niet bang voor lange rijen maar weet dat je een geweldige tentoonstelling wacht, een once in a lifetime experience.
Zie ook Rembrandt, the late works.

Late Rembrandt, Rijksmuseum Amsterdam, tot 17 mei

La vicomtesse d’Haussonville

Van de week was ze nog op het journaal, la vicomtesse d’Haussonville. Wat een verschijning! Zoiets zie je maar zelden en al zeker niet op de televisie. Louise is haar naam. 27 jaar oud, een en al charme en elegantie maar vooral ook: stijl. Stijl die zó vanzelfsprekend is dat ze zich nauwelijks hoeft te laten gelden en daardoor des te overtuigender is. Precies de kwaliteiten die ook op het werk van de schilder van toepassing zijn. Geen stijlvollere portretten dan die van Dominique Ingres. Zó verfijnd en zó geraffineerd ook dat zich vanzelf de vraag opdringt: is het het model of de schilder die het ‘m doet?
Ik hou het op beide. Louise lijkt me 100% de vrouw die precies weet waar we het hier over hebben. Wat het effect is van een pose, hoe je je presenteert aan de kijker, diens blik niet alleen lokt maar ook vasthoudt. Kortom, hoe je alle kwaliteiten toont waar het bij een jonge adellijke dame om draait. In haar hele leven zal het om weinig anders gegaan zijn. Het feit alleen al dat de familie de grote Ingres inhuurde zegt alles over het belang dat men eraan hechtte. Een klein fortuin kostte zo’n schilderij ook toen al.

Op enige afstand beantwoordt het doek volledig aan de officiële regels van een adellijk portret. Adel is wat spreekt uit de elegante pose, het klassieke, ronde gelaat met zijn ingetogen expressie. Zodra je inzoomt echter wordt het een heel ander verhaal. We betreden een wereld – háár wereld – waar alles persoonlijk en intiem is, een beetje een rommeltje zelfs. Is dat wat de speelse glimlach die we óók op haar gezicht lezen zegt? Dat we het vooral niet te nauw moeten nemen met het protocol? Over de twee fauteuils liggen los gedrapeerde kleren en lakens. Op de schouw is het een allegaartje van potjes en snuisterijen, van bloemen en papiertjes. Wat een prachtig allegaartje overigens!

Alles klopt, van het beeldconcept als geheel tot de kleinste plooi. Kijk alleen al naar de kleur. Hoe het koele blauw de sfeer tempert en daarbij de warme accenten optimaal laat spreken. Kijk ook naar de blote arm, niet zomaar een arm maar een blanke zuil die, precies in het midden, verticaal in beeld geplaatst, het stabiele centrum is waaromheen de hele compositie is georganiseerd. Dit is superieure schilderkunst. Speels en verfijnd, perfect van stijl en van een tijdloze schoonheid.

The Frick Collection – Kunstschatten uit New York, Mauritshuis, Den Haag tot 10 mei

Op zoek naar Vincent van Gogh

Vincent van Gogh, De zaaier (naar Millet), 1889

De mythe breidt zich nog alsmaar uit. Telkens weer duiken onderzoekers op het leven en het werk van de schilder en komen nieuwe feiten en details boven water. En het mooie is: het oeuvre groeit mee in de tijd en roept telkens weer nieuwe interpretaties op. Dat  terwijl het superieur zichzelf blijft, uniek in zijn zeggingskracht en onberoerd door alle aandacht. Dit is wat alleen echt grote kunst kan. Waar de meeste van zijn collega’s allang in de geschiedenis zijn achtergebleven is Van Gogh nog springlevend en actueel.
De meeste activiteiten moeten nog op gang komen maar dat 2015 het Van Gogh-jaar is zal niemand ontgaan. ‘125 jaar inspiratie’ is de spetterende slogan waarmee de stichting Van Gogh Europe namens zo’n dertig deelnemende steden het leven en het werk van Nederlands beroemdste zoon onder de aandacht brengt. Het Zuid-Belgische Mons, in 2015 Europese culturele hoofdstad en van 1878 tot 1880 de woonplaats van de jonge Van Gogh, bijt het spits af met een thematentoonstelling die inzoomt op de sociale betrokkenheid en de religieuze inspiratie in het werk van de kunstenaar. Niet dat deze in die twee jaar in de Borinage al schilderde – hij droomde nog van een carrière als predikant – maar geëngageerd was hij zeker. Waar kon je daar beter van getuigen dan in dit diepsombere, van god verlaten oord?
Stefan Kuiper schreef erover gisteren in de Volkskrant. Een vreemde tentoonstelling waarvan je je bij voorbaat moet afvragen of ze de reis naar Mons wel rechtvaardigt. Te zien is een aantal schilderijen, veelal geïnspireerd op het werk van Van Gogh’s grote voorbeeld François Millet, met de arbeidende mens al thema. Let wel: schilderijen die zo’n tien jaar later in Arles ontstonden. Maar goed. Daarnaast veel tekeningen die laten zien hoe de dolende Brabander zich in zijn eerste jaren als kunstenaar ontwikkelde – de nieuwe carrière waar hij na zijn echec in België toe besloot.

Vincent van Gogh, Le Café de nuit, 1888

Een verhaal waar ik vraagtekens bij zet, die beschouwing van Stefan Kuiper. ‘Hoe Vincent van Gogh schilder werd’ luidt de kop, met daaronder: ‘Ook Vincent van Gogh moest het tekenen en schilderen leren. Zijn paaltjes stonden scheef, zijn stoelen leken nergens op. Iedereen kent Vincent op zijn best. In Mons is hij nu ook te zien op zijn slechtst.’ Een vreemde voorstelling van zaken. Als er nou iets is dat het werk van Van Gogh bijzonder maakt dan is het wel dat rechte paaltjes en stoelen er weinig toe doen. Dat ambachtelijke regels zijn overruled door iets belangrijkers: zeggingskracht met name. En hoezo ‘Vincent op z’n best’? Kennen we die dan van perspectivisch correcte schilderijen? Integendeel zou ik haast zeggen. Neem het beroemde Le Café de nuit. Geen stoel of tafel ‘klopt’. Alles is schots en scheef, net zo ongerijmd als het dissonante akkoord van rode, groenen en gelen, en net zo verwrongen als het gemoed van de dronken sloebers met wie de schilder er de nacht doorbracht.
Op maandag 23 februari start ik in Tilburg voor HOVO Brabant een zesdelige reeks over het leven en het werk van de kunstenaar. Een verhaal dat zoveel mogelijk is ontdaan van alle mythevorming, maar wel recht doet aan de romantische ziel die hij wel degelijk was. De kunsthistorische context strekt zich uit van de grote voorbeelden van de schilder – Delacroix en Millet bijvoorbeeld – tot aan de kunstenaars die weer door hem zijn beïnvloed – al kort na zijn dood Ernst Ludwig Kirchner of, veel later nog, Francis Bacon.

Vincent van Gogh en de zoektocht naar de ware kunst, vanaf maandag 23 februari. Voor informatie en inschrijving: www.hovobrabant.nl, of klik hier.

Der Zeit ihre Kunst, der Kunst ihre Freiheit

Der Zeit ihre Kunst, der Kunst ihre Freiheit. In gouden letters sieren de plechtige woorden de gevel van het Secessionsgebouw in Wenen. We schrijven de jaren negentig van de negentiende eeuw. In het hart van Europa stellen kunstenaars zich fel te weer tegen de eeuwenoude krachten die het kunstleven beheersten. Tegen de academie met al zijn wetten en regels, maar ook tegen staatsbemoeienis en burgerlijke correctheid. Begin eenentwintigste eeuw ligt veel van dat alles weer op de loer. In een wereld in verwarring is het weghonen van moderne kunst bon ton geworden, heeft een nieuw moralisme de wind in de zeilen en wordt – getuige de uitspraak van een Antwerpse rechter in de zaak tegen Luc Tuymans – de vrijheid van de kunst weer aan banden gelegd.
Wat me bij dat laatste vooral zorgen baart is niet eens zozeer de uitspraak zelf, die belachelijk is, maar veel meer het verweer van de kunstenaar: zijn werk zou als parodie bedoeld zijn. Het is alsof we weer terug zijn in de zestiende eeuw toen de Venetiaanse schilder Paolo Veronese zich op het tribunaal van de inquisitie tegen de aanklacht van godslastering verdedigde door zijn rechters voor te houden dat kunstenaars, net als dichters, dwazen zijn, mensen met wie de verbeelding makkelijk op de loop gaat en die je vooral niet te serieus moet nemen.
Wat als het kunstwerk geen parodie was geweest maar een serieuze analyse, een aanklacht of wat dan ook? Wat als Luc Tuymans zich simpelweg had beroepenop het feit dat hij kunst maakt. En dat kunst bestaat bij de gratie van het feit dat ze geen functie heeft, dat het haar bestaan ontleent aan haar vrijheid en onafhankelijkheid. Zouden er dan wel redenen tot veroordeling zijn geweest?
En nog los daarvan: zou de eisende partij ook naar de rechter gestapt zijn als het niet Tuymans geweest zou zijn, maar zomaar een kunstenaar? Een half miljoen schadevergoeding! Niet slecht voor een nieuwsfoto die, ware het niet dat de beroemde kunstenaar er zijn zinnen op had gezet, allang weer vergeten zou zijn.
Niet dat het een principieel argument oplevert, maar een belangrijk punt is dat we leven in een wereld die zelf voor groot deel uit beelden bestaat. Beelden die allemaal met een bepaalde bedoeling tot stand zijn gekomen en die, of het nu om een nieuwsfoto, een reclame-uiting of wat dan ook gaat, allemaal in potentie kunst zijn, het product van een unieke scheppende daad.
Of een beeld ook daadwerkelijk kunst is hangt af van de context waarin het wordt getoond. Had Katrijn van Giel haar foto als kunst bedoeld dan zou deze aan de muur van het museum hebben kunnen hangen om daar in alle vrijheid als beeldend statement het publiek uit te dagen. En misschien ook collega-kunstenaars te prikkelen. Wat zou het mooi zijn geweest als dan de grote Luc Tuymans zich zou hebben gemeld.