Martin Creed, zo gelaagd kan eenvoudig werk zijn

 
Martin Creed: Work No. 1095, 2011 

Toen in 2001 de prestigieuze Tuner Price werd toegekend aan een kunstenaar die in een verder lege zaal het licht afwisselend aan en uit deed, bekroop mij de gedachte dat de kunstwereld tekenen van decadentie begon te vertonen. Maar na het zien van de overzichtstentoonstelling van het werk van Martin Creed kan ik niet anders dan bevestigen dat de jury het indertijd goed heeft gezien.  Hoe rijk en gelaagd kan eenvoudig werk zijn.  Creed blijkt een consistent oeuvre te hebben opgebouwd van opmerkelijk pretentieloos, persoonlijk werk.  Ook op deze tentoonstelling gaat in een van de zalen het licht aan en uit en is veel meer werk van dezelfde orde te zien. Er gaan deuren open of dicht en er worden tafels, stoelen, dozen en cactussen geordend van groot naar klein. In weer ander werk wordt hardnekkig géén keuze gemaakt. Alle kleuren uit de doos worden ingezet, netjes in dezelfde maat penseelstreek. Negenendertig metronomen tikken ieder één van alle in te stellen tempi. In duizend lijstjes hangen duizend verschillende prints van een steeds een andere broccoli in een andere kleur gestempeld.  In zijn vormgeving verwijst het werk vaak naar varianten van Minimal Art maar laat in feite precies het tegenovergestelde zien, juist géén absolute geldigheid ontleend aan een ideële wereld maar een uiterst concreet en persoonlijk beleefd hier en nu.

Creed laat in zijn werk tegelijk een bijna vertederend soort toewijding en een tegendraadse humor zien. Zo draait met wisselende snelheid direct bij binnenkomst nét boven je hoofd in enorme neonletters het woord Mothers rond. Onwillekeurig voel je de neiging om te bukken als ze voorbij komen. In dezelfde zaal hangt ook Jumping up portrait of Liciana (2013). Het werk hangt op dezelfde hoogte als waarop het is gemaakt, haast onbereikbaar hoog. Iedere noodsprong een snelle penseelstreek. Een apart zaaltje wijdt Creed aan de gedachte dat een ieder zich zal moeten verhouden tot what comes out of you. Twee video’s nodigen ons uit om ter plaatse verder vorm te geven aan dit proces. In een cleane, witte studio-omgeving zien we steeds een persoon verschijnen die onbedaarlijk moet braken (becomes a form of painting) of op rustige wijze gaat zitten poepen (the first solid thing that any of us makes). 

Martin Creed: Woman squatting to have a poo #660

Door de obsessieve, bijna autistische kant van Creed’s werk heen zie je steeds de  absurdistische humor waar Engelsen kennelijk patent op hebben. Die humor werkt bevrijdend maar tegelijk besef je dat de vanzelfsprekendheid van de aannames die je zelf doet en de keuzes die op basis daarvan maakt vooral de praktische kant van het dagelijks leven vergemakkelijken. Genadeloze inspectie van de eigen veronderstellingen maken een onwetendheid en chaos zichtbaar die de basale werken van Creed in een ander licht zetten. Je ontkomt zelfs niet aan lichte ontroering en melancholie.

Martin Creed,  What’s the point of it? Hayward Gallery London. Tot 5 mei 

Een gastpost van Frie Maas

Post Net

Constant Dullaart, Jennifer in Paradise, 2013

Je kent het verschijnsel wel: je loopt tegen een nieuwe naam of een nieuw begrip aan – nooit eerder van gehoord – en vervolgens kom je ‘m overal tegen. Post Net dus, ook wel Post Internet, of als je het helemaal officieel wilt: Post Internet Esthetics.
Afgelopen najaar besteedde het kunstblad Frieze er een uitgebreid artikel aan. Een van de schrijvers was Constant Dullaart, een jonge landgenoot die vanuit Berlijn opereert en die naam maakte met Jennifer in Paradise. Met deze installatie vierde de kunstenaar vorig jaar het 25-jarig bestaan van Photoshop.  ‘Jennifer_in_Paradise’, re-distributed digital image (first image ever Photoshopped), encrypted message’, is de volledige titel.
De foto van Jennifer werd in 1987 geschoten door Thomas Knoll, de grote man achter Photoshop. Deze paradijselijke foto van zijn vriendin was de eerste die hij met zijn nieuwe programma bewerkte. Deel van Dullaarts installatie is een digitaal versleutelde brief aan Jennifer, waarin de kunstenaar haar aanspreekt als de eerste mens in een nieuwe wereld.
Zoiets is het inderdaad wel. Jennifer als een nieuwe Eva. De geboorte van Venus, nog een beeld dat zich opdringt.
Dullaart is 35. Zijn generatie is de eerste die met computers en internet opgroeide, de digitale wereld is haar natuurlijke habitat. Post Net Art is het verzamelbegrip voor alle mogelijke zienswijzen die zich vanuit dit perspectief hebben ontwikkeld.

David Jablonowski, Alibaba, 2014

Voor mij kreeg het begrip een nieuwe lading toen ik op Art Cologne David Jablonovski (32) ontmoette. Het interview dat hij onlangs gaf bij gelegenheid van zijn tentoonstelling in het Gemeentemuseum is in dit verband heel verhelderend.
Kijkend naar zijn nieuwe werk en luisterend naar wat hij er bij vertelde, werd me duidelijk dat Post Net niet zozeer over kunst gaat als wel over hoe je je kunt verhouden met de wereld als geheel. Anders gezegd: Post Net is een zienswijze waarin alle materialen, objecten en verschijnselen primair als drager van informatie worden benaderd, waarin elk waarneming werkt als een visuele hyperlink en die een kunst voortbrengt die integraal deel is van een wereld die in een constante staat van beweging en verandering verkeert.
Een van David’s laatste werken – de nieuwste aanwinst ook in de collectie van Art21 – is gebaseerd op een interview met Jack Ma, de Chinese oprichter van Alibaba, het grootste online warenhuis ter wereld. Hierin legt deze uit hoe hij op de naam van zijn bedrijf kwam. Het interview is in drie talen te horen: Chinees, Engels en Arabisch. Op een zeer geestrijke en beeldende wijze verbindt de kunstenaar de complexiteit van de hedendaagse communicatie- en informatiecultuur met het beeld van traditionele ‘dragers’ in de gedaante van drie blauwe Chinese mandjes.

Beste Beatrix

Beatrix Ruf

Met veel trompetgeschal word je als onze nieuwe koningin van de kunst binnengehaald. Je schijnt een ‘alleraardigste tante’ te zijn, met ballen nog ook. De verwachtingen zijn hoog gespannen en van alle kanten word je met advies bestookt. Helemaal gratis, net als deze bijdrage.
Ik schreef er onlangs nog over naar aanleiding van de Jeff Wall-tentoonstelling in het Stedelijk: Nederland telt in de internationale kunst nauwelijks nog mee. Op de top-100 van Art Review, de gezaghebbende lijst waarop jij de afgelopen twee jaar als zevende prijkt, komt geen enkele Nederlander voor. Het is met onze musea net zo gegaan als met het voetbal. Door omstandigheden waren we een tijdlang wereldtop, intussen zijn de normale verhoudingen weer hersteld.
Het Stedelijk gold direct na de oorlog als dé internationale broedplaats voor nieuwe kunst, hét podium ook van waaruit grote carrières werden gelanceerd. Behalve aan eigen verdienste was dit vooral te danken aan het gegeven dat de grote landen nog nauwelijks aan eigentijdse kunst deden. Te druk met het hervinden van hun eigen identiteit, te zeer naar binnen gekeerd. Nederland daarentegen trachtte het duistere oorlogsverleden juist van zich af te schudden door zichzelf en de wereld de politiek correcte spiegel van de avant-garde kunst voor te houden. Mét succes dus.
Toen vanaf de jaren tachtig de VS, Frankrijk en vooral ook Duitsland mee gingen doen was het gauw gedaan met onze voortrekkersrol. En al helemaal toen kort daarop ook Londen zich aan het front meldde.
Als het om de positie van het Stedelijk in de eenentwintigste eeuw gaat speelt er ook nog iets heel anders, iets veel fundamentelers: de globalisering en de netwerkcultuur.
Ook in de kunst is het de afgelopen vijfentwintig jaar een en al schaalvergroting en professionalisering. Tate Modern, Ai Weiwei, Jeff Koons, de grote galeries en de verzamelaars, ze opereren als geoliede internationale bedrijven die zich bedienen van eigentijdse marketingstrategieën. In die league heeft het Stedelijk weinig te zoeken. Of het zou moeten zijn dat het zich met de kruimels tevreden stelt.
Niet doen, er zijn wel degelijk kansen voor een heel nieuw en eigentijds gezicht. De andere kant van het verhaal is namelijk dat ook in de kunst alle gezag ter discussie staat, er geen centrum of richting meer is en er een dynamiek heerst die steeds meer van onderaf wordt gevoed. Wie hier aansluiting bij weet te vinden loopt vooruit op wat ongetwijfeld komen gaat: een kunst die verregaand verweven is met de beeld- en informatiecultuur, die voortkomt uit een nieuw gemeenschapsdenken en die het museum vooral ziet als een plek van samenkomst, ontmoeting en uitwisseling.

Reiken naar de sterren

De oerknal bestaat echt. Dankzij een afdruk van zwaartekracht-golven weten we het nu zeker. Ontstaan in de allereerste milli-milli-milli-seconden van het universum, vlak na het moment dat tijd, ruimte en materie in één klap uit een enorm heet punt met een oneindige dichtheid zijn ontstaan.
Heel opwindend natuurlijk en heel begrijpelijk dan ook dat het nieuws de wetenschappelijke wereld in een verhoogde staat van opwinding bracht.
Een punt is wel dat de deskundigen die op tv uitleg kwamen geven niet de verleiding konden weerstaan om met rode konen te suggereren dat deze ontdekking ons dichter bij de ontrafeling van het mysterie van het bestaan heeft gebracht.
Hoezo dan? Waar we eerst voor de onmogelijke opdracht stonden om ons een voorstelling van de oneindigheid te maken moeten we nu proberen te begrijpen hoe het universum in één klap uit het niets is ontstaan. De oneindigheid of het niets? Of god? Zeg het maar!
Niet dat ik vind dat dit soort onderzoek loos is, integendeel. Laat de wetenschap vooral verder gaan met haar zoektocht naar fenomenen die niet voorstelbaar maar wel aantoonbaar zijn. Laat haar vooral telkens nieuwe lagen aanboren die onze verbeelding tarten, maar laten we haar wel vragen om haar bevindingen te voorzien van een bijsluiter: ultieme kennis is niet voorhanden!
Het kan niet vaak genoeg gezegd worden: wetenschap is alleen waar zolang het over wetenschap gaat. Alle successen die ze heeft geboekt ten spijt, de grote vragen liggen simpelweg buiten haar bereik. Dat vindt ze zelf trouwens ook: wie zich hier wel mee bezig willen houden wordt immers resoluut geweerd. De filosofie kan ervan meepraten. De kunst al helemaal.
De Franse denker Gilles Deleuze was er heel duidelijk over. Wat de wetenschap doet is hetzelfde als het jongetje dat altijd wil winnen: eerst zelf de spelregels bepalen en vervolgens iedereen die zich daar niet aan onderwerpt buiten sluiten. Zó kan ik het ook!

De grote vraag blijft mét dit alles: hoe geven we plaats aan het mysterie van het bestaan?.
Heeft de kunst het antwoord? Ik denk het niet, de kracht van kunst is nu juist dat ze – in tegenstelling tot de wetenschap – geen antwoorden zoekt maar vragen stelt. Ze doet dat door op het bestaan af te stappen in al zijn ongrijpbaarheid, zijn paradoxen, en schoonheid. Om er zo dicht mogelijk bij te komen.
Aanleiding voor deze bespiegelingen is mijn optreden donderdag a.s. in de Maaspoort in Venlo, tijdens een benefietavond voor Kidsbase. Het thema wordt aangereikt door wetenschapsjournalist Govert Schilling die zijn gehoor zal voorhouden dat  ‘Een van de weinige kindervragen die volwassenen niet kunnen beantwoorden, is wat oneindigheid is, of hoe groot het heelal’.
Ik zal hierbij aansluiten met wat de kunst ons op dit punt leert. Over eeuwige schoonheid en de melancholie van de verloren onschuld.

Paolo Veronese

Paolo Veronese, Venus en Adonis, 1580

Paolo Veronese is een van de grootste schilders ooit. Op bepaalde punten zelfs onovertroffen: het gemak dat uit zijn composities spreekt, hoe ambitieus en complex deze ook zijn. De rijkdom van zijn stoffen en materialen, maar vooral ook de kleur. Geen groter colorist dan Veronese, daar is iedereen het wel over eens.
Toch is de schilder het voor velen ook nét niet. Zet zijn werk naast dat van tijdgenoten als Titiaan of Michelangelo en je ziet meteen waarom. Nét niet die diepgang en verfijning, nét niet die bezieling en kracht die nodig is om je hart te laten juichen. Echte kunst is meer dan visueel spektakel, bij Veronese hebben we het gevoel dat het toch vooral om het laatste gaat.

Paolo Veronese, Bruiloft te Kana, 1563

Onlangs nog stond ik in het Louvre voor zijn Bruiloft te Kana. Een waanzinnig schilderij, in alle opzichten. Niet alleen het formaat, maar ook de veelheid van figuren, de extreme perspectivische effecten, alles is über.
Misschien kunnen we een historieschilderij als dit alleen recht doen als we het beschrijven als een studioproductie, vergelijkbaar met de speelfilms van nu. En als we het dan toch in filmtermen spreken: Veronese was niet de man van de art movies maar van de grote Hollywoodproducties, full color widescreen voor een breed publiek, dát was zijn handelsmerk.

Paolo Veronese, Bruiloft te Kana, 1563, detail

In The National Gallery draait vanaf vorig weekend een groot overzicht van het oeuvre van de meester. Een unieke gelegenheid voor een herwaardering. Nooit eerder waren zoveel grote werken van de schilder in één tentoonstelling verenigd, nooit eerder was het mogelijk om hem alle fasen van zijn ontwikkeling te kunnen volgen.
Ik moet nog gaan kijken, maar uit de eerste commentaren maak ik op dat het een groots gebeuren is dat onze kijk op de kunstenaar danig zal veranderen. Als dat zo is dan heeft dat bij voorbaat meer met ons dan met de schilder te maken. Waar we tot niet zo heel lang geleden een strenge morele en intellectuele meetlat hanteerden, zijn we inmiddels veel minder eenkennig geworden. Met als gevolg dat er weer heel wat nieuws te ontdekken valt. Het spectaculaire werk van Veronese levert hiervoor het perfecte materiaal.

Overigens, voor wie aan een tripje naar Londen denkt: als je tot ná 17 april wacht kun je ook Matisse, cut outs in Tate Modern meepikken, het grote overzicht van de gouaches découpés van de oude meester. Belooft zeker zo veel spektakel! In Tate Modern draait dan ook nog het grote retrospectief van Richard Hamilton.

Veronese: Magnificence in Renaissance Venice, The National Gallery, Londen, tot 15 juni

Tefaf

Oscar Wilde beschreef de cynicus ooit als iemand die overal de prijs van kent, maar van niets de waarde. De betweter.
Als het ergens om de prijs gaat dan is het wel op de Tefaf. Beware of dealers zou er overal op bordjes moeten staan. Dat je op deze kermis van ijdelheden veel vindt dat niet echt van waarde is klopt ook. En toch, je ziet er vrijwel alleen maar blije gezichten, cynisme heb ik nergens geproefd, zeker niet bij het publiek.
Wat niet wegneemt dat de Tefaf veel kunst toont die onbeschaamd mikt op kopers die over meer geld dan smaak beschikken. Vrijwel alle grote namen zijn vertegenwoordigd. Vaak met werk dat je meteen herkent maar dat het nét niet is. Routineus maakwerk met het valse aura van echte kunst, een verschijnsel van alle eeuwen.

Natuurlijk, tussen alle would be-kunst zijn ook de echte knallers, een prachtige late Picasso, of opeens, bijna verloren in een hoekje, een geweldige Ter Borch, helemaal top.
Wat de Tefaf vooral ook zo interessant maakt is dat je kunst ziet die je nergens anders tegenkomt. Kunst die met al zijn veruiterlijking en pretenties technisch én artistiek wél van het allerhoogste niveau is. Maar te excentriek of te theatraal om ooit in het museum terecht te komen.

Neem bijvoorbeeld de vetgemeste kardinalen van George Croegeart, een negentiende-eeuwse Belgische kunstenaar gespecialiseerd in hyperrealistisch geschilderde, humoristische zedenschetsen. Kom daar nog maar eens om! Heel goed gedaan, dat zeker.
Laat alle schaamte los en geef je kijklust de vrije loop. Roman Woman Sleeping van Félix-Auguste Clement? Prachtige geschilderde net-geen-porno, dé eyecatcher van een van de grootste stands. Wat het moet kosten? Maakt niet uit, véél. Geld kent zijn eigen logica. Hoe zou een werk als dit anders op de Tefaf kunnen hangen?

Tefaf Maastricht, nog tot 24 maart