De Biënnale van Enwezor en Vo

Okwui Enwezor
Okwui Enwezor

Elke Biënnale-bezoeker weet hoe het is: je gaat naar Venetië voor scherper zicht en je komt thuis met een beeld dat alleen maar verder is vertroebeld. Het is met de kunst net als met de wereld: overzicht is een illusie. Steeds meer. Niettemin blijven we het proberen. We mogen er dan geen grip op hebben, het is wel ónze wereld.
Hoe om te gaan met die alsmaar groeiende veelheid en complexiteit? Wie naar de Biënnale gaat krijgt twee antwoorden aangereikt, allebei inspirerend en uitdagend maar ook sterk verschillend. Het ene is van Okwui Enwezor, de curator van dienst, het ander van Danh Vo, de Vietnamese Deen die van zich doet spreken als deelnemend kunstenaar, maar meer nog als de maker van Slip of the Tongue, de parallelle tentoonstelling in de Punta della Dogana. 
Eerst over wat hen verenigt, want ook dát is interessant. 
Op zoek naar een nieuw houvast houden beiden ons de spiegel voor van de jaren zestig. Toen de herinnering aan de oorlog nog vers was en een andere, betere wereld noodzakelijk én mogelijk leek. De verbeelding aan de macht klonk het in de straten van Parijs, een oproep die wereldwijd weerklank vond. Was dat naïef idealisme of toch meer? Volgens Enwezor het laatste. Natuurlijk, we zijn een halve eeuw verder en de wereld van nu is niet te vergelijken met die van toen. Maar toch: op een of andere manier moeten we dáár de draad weer oppakken. Bij Hans Haacke, Robert Smithson of Fabio Mauri, kunstenaars die werkten vanuit het besef dat mét de oorlog alles op losse schroeven was komen te staan en de geschiedenis feitelijk dáár was geëindigd.

Danh Vo
Danh Vo

Ook Danh Vo voert op zijn tentoonstelling een aantal grootheden uit die periode op. Lee Lozano bijvoorbeeld, of Nancy Spero, inspirerende persoonlijkheden die kunst en leven als één zagen en zich radicaal teweer stelden tegen de vervlakking van de consumptiecultuur..
Tussen toen en nu ligt de periode van het spektacularisme. Van het neoliberalisme, de ICT-revolutie en de Val van de Muur. De jaren dat de bomen naar de hemel groeiden en we ons overgaven aan het bedwelmende visioen van vrijheid en welvaart voor iedereen. De tijd ook van Jeff Koons, Anish Kapoor en Damien Hirst, kunstenaars die met hun uitdagende en grensverleggende werk een onmatige wereld verbeeldden. Ook Sarah Lucas, dit jaar  een van de sterren van de Biënnale, hoort tot dit gezelschap.
Inmiddels zijn we uit de roes ontwaakt: de eenentwintigste eeuw heeft een permanent instabiele wereld gebracht, een alsmaar groeiende kloof tussen rijk en arm, een recordaantal mensen op de vlucht en een nieuwe wapenwedloop. 
De heroïsche jaren van de moderne wereld staan niet voor niets weer volop in de belangstelling, zowel van de gevestigde orde als van de jonge garde. Beide zijn in Venetië aan zet. Okwui Enwezor versus Dahn Vo. De eerste als the man in charge die zich laat gelden als het morele en intellectuele gezag van de officiële kunst. De tweede als de jonge ster die de wereld verovert. Hoezeer ze ook hun belangstelling en engagement delen, de verschillen zijn groot. Het is niet alleen de curator versus de kunstenaar, instituut versus individu, het is vooral ook een verschil in levenshouding.
Enwezor doet een grootse poging de geschiedenis te herschrijven. Als de secretaris generaal van de VN van de kunst presenteert hij zijn Biënnale als een raamvertelling waarin alle mogelijke geschiedenissen samenkomen. En toekomsten dus ook: All the World’s Futures. 
Vo staat voor een heel andere benadering. Hij laat elke poging tot overzicht los en vertelt zijn verhaal van binnenuit, persoonlijk, associatief en intuïtief. Zijn kracht zit ‘m in zijn vermogen om verbindingen te leggen, tussen toen en nu, Azië en het Westen, tussen hemzelf en de wereld. Wat zijn fascinerende tentoonstelling in de Punta vooral ook laat zien is dat in een werkelijkheid die zo diffuus en ongrijpbaar is als de onze, alles weer persoonlijk wordt. De geschiedenis, de politiek, de wereld, de kunst, alles. Bevrijd van de verplichting tot een omvattende visie kunnen we onze  aandacht vol richten op de werkelijkheid van het echte leven. Waar een geëngageerd kunstpoliticus als Okwui Enwezor van buiten af naar de wereld kijkt, toont Danh Vo de echte vernieuwing als water die zijn weg zoekt.

La Biennale di Venezia,  tot 22 november

Danh Vo: Slip of the Tongue

Dahn Vo, Untitled, 2013

Danh Vo, Zonder titel, 2013

Het ligt erbij als iets dat zomaar ergens is achtergelaten. Pas als je goed kijkt zie je wat het is: een reistas met fragment van een houten heiligenbeeld.
Veel van de werken op de tentoonstelling hebben deze terloopsheid. Alsof of het ook iets anders had kunnen zijn. Bescheiden van afmetingen staan of hangen ze een beetje verloren in de ruimte, ergens op de muur of juist midden in de leegte. Alle nadrukkelijkheid is vermeden. Wat niet wil zeggen dat er geen samenhang is. Lopend van het ene kunstwerk naar het andere ontdek je talloze verbanden. Maar het mooie is dat deze open blijven en op zuiver informele wijze functioneren. Hoe of wat is uiteindelijk aan jou. Slip of the Tongue, de tentoonstelling die Danh Vo in de Punta della Dogana inrichtte, is in de eerste paats een uitnodiging om je eigen verhaal te maken. Heel bevrijdend, je voelt het meteen.
Danh Vo. De ster van de Deense Vietnamees is al een aantal jaren rijzende. In Venetië ontpopt hij zich als een van de gezichtsbepalende kunstenaars van nu. Hij is niet alleen de grote man achter de tentoonstelling in de Punta – de show die je móet zien – maar ook de officiële vertegenwoordiger van Denemarken op de Biënnale.

Jean-Luc Moulène, Rotor, 2015
Jean-Luc Moulène, Rotor, 2015

Het feit alleen al dat hij vrienden en collega’s bij zijn tentoonstelling betrekt en hun werk een even belangrijke plaats toekent als aan dat van hemzelf. Daarbij verschillen in kwaliteit en visie op de koop toe nemend. Maar ook dat hij evenveel uit het verleden als het heden put. Middeleeuwse miniaturen, renaissanceschilderijen, negentiende-eeuwse foto’s, ze maken allemaal deel uit van een wonderlijk veelzijdig en uiterst geestrijk geheel. Niet hun historische context is interessant maar wat ze te bieden hebben als spiegel van de persoonlijke ervaringswereld.
Dat laatste raakt wellicht aan de kern van deze fascinerende tentoonstelling: het besef dat in een werkelijkheid die zich aan elke analyse onttrekt, in een bestaan dat diffuus en ongrijpbaar is, alles weer persoonlijk is geworden. De geschiedenis, de politiek, de wereld, de kunst. Alles.
Voor wie er meer over wil weten: Flash Art wijdde er een mooi artikel aan.

Slip of the Tongue, Collectie Pinault, Punta della Dogana, Venetië, tot 13 december

Lelijkheid als strategie

Raysse, Martial. 2009, Délice un peu tendue, K15, 02

Martial Raysse, Délice un peu tendue, 2007

Martial Raysse dankt zijn roem aan zijn neon-schilderijen uit de late jaren zestig. Iconen van de Europese popart die inmiddels voor miljoenen worden geveild. De grote overzichtstentoonstelling in het Palazzo Grassi in Venetië toont er een aantal van maar richt zich vooral op het minder bekende latere werk van de kunstenaar. Ik geloof niet dat ik ooit slechtere schilderijen heb gezien. Toch ben ik ruim twee uur gebleven.
Je eerste reactie is: wat ontgaat me hier? Er zal toch wel een of andere bedoeling achter zitten? Bovendien, zo’n grote overzicht op een gerenommeerd podium komt toch niet zomaar tot stand?
Maar waar is dan de sleutel?
Dat schilders schoonheidsregels aan hun laars lappen is niets nieuws. De moderne kunst heeft er zelfs voor een belangrijk deel haar bestaan aan te danken. De expressionisten, de kubisten, de surrealisten, allemaal traden ze de regels met voeten. Maar dan wel met het doel om ruimte te scheppen voor iets belangrijkers. Zeggingskracht bijvoorbeeld of vitaliteit. Voor een rauwheid die de schoonheid minacht.
Martial Raysse lijkt ook dat allemaal niet te boeien. Voor hem geen gestileerde constructies, geen heftige gebaren of dissonante kleuren, eerder een gevoel van gelatenheid. Délice un peu tendue is de titel van een van zijn recente naakten. Een draak van een schilderij, maar niet lelijk op een provocerende manier. Wat zou dan wél de reden kunnen zijn om het zó te doen. Curator Caroline Bourgeois merkt er in de catalogus het volgende over op: His taste for the representation of women goes beyond sexual attraction or classic beauty; he is fascinated by she who is Unknown.
Zou het dat zijn, dat Martial Raysse vooral gefascineerd is door het onbekende en daarom consequent gebaande paden probeert te vermijden? Dat hij zodra het aangenaam of mooi dreigt te worden, meteen uitwijkt met dit werk als resultaat?

Raysse, Martial. 2012, Ici plage, comme ici-bas, K15, 02
Martial Raysse, Ici plage, comme ici-bas, 2012, detail

Het formaat van een aantal werken getuigt van een grote ambitie. Ici plage, comme ici-bas is een gigantisch doek. Een eigentijds bacchanaal in de traditie van Poussin, een meter of acht breed met enkele tientallen levensgrote figuren. Meer nog dan als een zoektocht naar het onbekende lijkt het werk van Martial Raysse een poging om een onafhankelijke positie te bevechten. Zowel ten opzichte van de geschiedenis, waar hij met zijn naakten en historiestukken nadrukkelijk naar verwijst, als van de actualiteit. Schoonheid en vakmanschap – in welke gedaante dan ook – brengen altijd regels met zich mee. Om zijn bestaan af te schermen van alle externe bemoeienis kiest de kunstenaar ervoor om de toeschouwer zoveel mogelijk buiten te sluiten. Om deze in diepe verwarring, maar daarom niet minder gefascineerd, kennis te laten nemen van een bizar  oeuvre.

Raysse, Martial. 2012, Ici plage, comme ici-bas, K15, 01

Martial Raysse, Ici plage, comme ici-bas, 2012

Martial Raysse, Palazzo Grassi Venetië, tot 30 november

Geilbok of Cupido?

Cupido 02
Te zien in het Nederlandse paviljoen op de Biënnale: de drieëntachtig-jarige Herman de Vries als een pas geboren baby, Cupido die zich laaft aan de bron. Mooi beeld toch?
Hoe anders was het optreden van de kunstenaar twee jaar eerder. Ook toen was hij in Venetië te zien. Niet op de Biënnale, maar in het Palazzo Bembo. Hier maakte zijn werk deel uit van Personal Structures, een groots opgezette verkooptentoonstelling die om de twee jaar parallel aan het hoofdevenement wordt ingericht. Daar was de foto hieronder te zien: Herman als een oude sater met twee nymfen in het bos.
Het verhaal is dit.
Of het nu hun romantische natuur is of simpelweg dat ze getallen en cijfers gewoon niet interessant genoeg vinden, maar ook al hebben ze succes, veel kunstenaars leiden zakelijk gezien een wankel bestaan. Met als gevolg dat menigeen nog tot op hoge leeftijd aan de bak moet.
Gelukkig is er ook nog een grote markt van kopers die louter varen op het kompas van gevestigde namen en een kunsthandel die daar gretig op inspeelt. Venetië biedt hiervoor natuurlijk een ideaal podium. Ook dit jaar zijn ze weer van de partij, grote galeries die hun slag proberen te slaan door onder de vlag van de Biënnale gevestigde namen van een generatie geleden aan de man te brengen als grootheden van nu. Timothy Tailor die Sean Scully brengt, Michael Werner die Peter Doig in de uitverkoop doet. Ze betalen er een smak geld voor, maar de inkomsten zullen navenant zijn.

Cupido 01
Personal Structures is ook zo’n onderneming, maar dan breder opgezet. Onderdeel van het belangrijkste kunstevenement  ter wereld, in een palazzo aan het Canal Grande op een van de meest prominente – lees duurste – plekken van de stad, met werk van grootheden als Lawrence Weiner, Joseph Kosuth, en Carl André. Wie zou durven beweren dat het hier niet om grote kunst gaat? Ene Rene Rietmeyer is het brein achter het gebeuren. Een slimme jongen die wordt geassisteerd door een team van dames die behalve hun kwaliteiten als kunsthistorica ook nog de looks hebben om als nimf op te treden. Eerder gingen ze al uit de kleren voor een performance van Hermann Nitsch, twee jaar terug dus met ónze Herman. Sex sells, ook in de kunst. De mens wil bedrogen worden en de wereld is aan de brutalen.
Hoe het ook zij, Herman de Vries is een van die oudgedienden die graag aan de formule meewerkten. Of hij dat ook gedaan hebben als hij geweten had dat hij het op zijn oude dag nog tot officiële vertegenwoordiger van Nederland zou schoppen is zeer de vraag. Toen de uitnodiging voor de Biënnale op de mat viel moet de schrik groot zijn geweest. Was ik maar nooit met die meiden het bos in gegaan! De foto in het Nederlandse paviljoen is denk ik vooral ook een poging om aan dat beeld van die geilbok alsnog een draai te geven.

Parijs 1870

Anton von Werner, Im Etappenquartier vor Paris (24. Oktober 1870), 1894x,

Stel je bent twintig en soldaat in het Pruisische leger. Van de geschiedenis heb je geen weet en van de wereld evenmin. Berlijn ja, maar verder ben je nooit geweest. En nu opeens sta je vlak voor Parijs. Het is oktober 1870. De afgelopen maanden waren zwaar. Na de opwinding van de mobilisatie en de opmars in de zomer kwam de rauwe realiteit van de oorlog hard binnen. De ontberingen en de ellende hebben je kijk op de wereld grondig veranderd. Je voelt de pijn en het verdriet, in je hoofd is het een chaos en thuis lijkt oneindig ver weg. Maar er is ook een gevoel van opwinding, alsof alles groter is geworden, intenser en echter.
En nu is er ook nog de euforie van de overwinning. Je peloton heeft een klein château toegewezen gekregen en samen met je kameraden kom je, recht van het veld, binnen in je nieuwe kwartier. Dit is jouw moment, je gaat achter de vleugel zitten en laat de eerste tonen klinken van Schubert’s Das Meer erglänzte weit hinaus. een van de populairste liedjes onder Duitse soldaten.

Anton von Werner, Im Etappenquartier vor Paris (24. Oktober 1870), 1894, detailxx
De jonge Anton von Werner was er bij en legde het moment vast. Gisteren in de Neue Nationalgalerie in Berlijn stond ik voor zijn schilderij. Onweerstaanbaar! Door zijn rake enscenering, zijn verfijnde detaillering, maar ook door zijn treffende contrasten. Hoe de met modder besmeurde soldaten onbekommerd bezit nemen van het luxueuze interieur. Hoe in een wereld van precieuze omgangsvormen het vuur van het echte leven wordt ontstoken en warmte en vriendschap de plaats innemen van formele afstandelijkheid. Dit alles effectief versterkt door de tegenstelling van de krachtige primaire kleuren van de uniformen en de lichte pasteltinten van het interieur.
Natuurlijk is het schilderij ook propaganda. Duitsland dat Frankrijk neerzet als een verweekte, decadente natie. Pruisen dat nog altijd uit is op wraak voor de vernederingen die het van Napoleon kreeg te verduren.
Drie maanden later, in januari 1871, zal de Pruisische koning in de spiegelzaal van het kasteel van Versailles tot Duitse keizer worden uitgeroepen. Na de nederlaag op het slagveld krijgen de Fransen het nog een keer extra ingewreven. Ook daar was Anton von Werner bij, maar dát schilderij is weer een heel ander verhaal.

Een echtere Van Gogh

Een echtere Van Gogh
Vergeleken bij de prijs van het origineel is het een schijntje, maar  € 25.000,- voor een reproductie? Misschien toch minder idioot dan je denkt. Het Van Gogh Museum vraagt het er in elke geval zonder blikken of blozen voor. De eerste avonturier die het ervoor wil neerleggen moet zich nog melden maar dat lijkt slechts een kwestie van tijd. De kopie is namelijk zó goed dat ze niet meer van het origineel te onderscheiden is. Niet nauwelijks, ook niet een heel klein beetje. Gewoon: niet. Bovendien is de reproductie genummerd en gecertificeerd. In een beperkte oplage van 260 uitgebracht  door het instituut dat, als het om Van Gogh gaat, wereldwijd als hoogste gezag geldt.
Gisteren stond ik er voor: een ronduit verbluffende ervaring. Je kijkt gewoon naar een echte Van Gogh, in dit geval De oogst uit 1888, een van de beroemdste werken van de schilder. Met exact de kleur, de glans, het reliëf, alles. Het enige dat ontbreekt is de idee.
Beklemmend of juist bevrijdend? De toekomst zal het leren. De gevolgen zijn nog moeilijk te overzien maar zullen hoe dan ook groot zijn.
Natuurlijk het verlies van authenticiteit is al vanaf haar ontstaan een van de grote thema’s van de moderne wereld. Maar zolang de verschillen tussen origineel en kopie duidelijk waren, bleef de orde in wezen intact. Sterker nog: de reproductie mocht de uniciteit van het origineel dan wel tarten, uiteindelijk werd deze laatste alleen maar in zijn authenticiteit en echtheid versterkt.
De Relievos die het Van Gogh samen met Fuji ontwikkelde plaatst dit alles in een heel ander licht. Met het opheffen van de verschillen lijkt ook het origineel zijn aura te verliezen. Een nog moeilijk te bevatten maar wel dwingende notie.
Nog even terug naar de kijkervaring. Hoe belangrijk is die idee eigenlijk? En draai het eens om. Wie zegt jou, vanaf nu, dat je staande voor een Van Gogh in het museum werkelijk naar het origineel kijkt?
Maar nog los van dit alles: het meest opwindende en veelbelovende gevolg is dat Van Gogh’s oeuvre vanaf nu voor eeuwig is gewaarborgd. En dat niet alleen: de schilderijen kunnen nu ook volledig in hun oorspronkelijke staat worden terug gebracht. De in de loop der jaren danig verbleekte Amandelbloesem kan zijn roze tint weer terugkrijgen, de muren van De Slaapkamer kunnen weer van blauw naar het oorspronkelijke violet worden teruggezet. Met andere woorden: de tijd kan worden terug gedraaid, de originelen kunnen in een kluis en het Van Gogh Museum kan overal in de wereld nieuwe filialen openen met zijn complete collectie ‘echtere’ Van Goghs.

De Relievo van De oogst is te zien in het Vincentre in Nuenen.
Op donderdag 18 juni geef ik om 20.00 een lezing in Nune Ville over Van Gogh en Parijs.