De pixelboxes van Angela Bulloch

Alleen al vanwege de pixelboxes moet je de tentoonstelling op je agenda zetten. Althans, ik vind ze prachtig. Vond ik altijd al, maar in zo’n rijke hoeveelheid en zó mooi geëxposeerd zag ik ze nog nooit.

Elke installatie staat apart in een van de grote lege ruimten van Witte de With. De boxes op de kale vloer, uitgespreid of gestapeld, streng geordend en zuiver geometrisch.

De objecten zelf weten nergens van. Ze vragen niets van je en ze geven niets. Ze zijn er slechts. Hetzelfde geldt voor de kleuren, ook die zijn zichtbaar het resultaat van een louter technisch procédé. Objectief en helder, zonder enige emotie.

Je kijkt naar een geprogrammeerde machine, opgebouwd uit kubussen die precies zo werken als de pixels van een computerscherm. Gebaseerd op het RGB-kleurensysteem, dat wil zeggen op het fenomeen dat met de drie lichtkleuren rood, groen en blauw alle andere kleuren te maken zijn.

Alles is technisch en onpersoonlijk en juist dat maakt het zo sterk. Omdat wát je ervaart helemaal van jezelf blijft. Natuurlijk, de kunstenaar heeft het bedacht en geprogrammeerd, maar hoe en wat is niet ingevuld. Wat je ziet is dat het leeft, pulseert, verandert. Felle kleuren worden afgewisseld met zachte tinten, telkens weer kom je in andere sferen terecht. Elke nieuw patroon van lichtkleuren roept een nieuwe sensatie op.

Het is er hier niet de plek voor, maar je zou er heel filosofisch van kunnen worden. Perceptie is werkelijkheid, dát is wat je je realiseert. In een wereld waarin alles tot enen en nullen is teruggebracht een heel troostrijke ervaring.

De hele bovenverdieping is gereserveerd voor het nieuwste werk van de kunstenaar, de monumentale muurschilderingen of beter gezegd tekstsculpturen. Ook heel indrukwekkend en fascinerend. Maar weer een heel ander verhaal.

Op zondag 19 februari presenteer ik in het auditorium van Witte de With/TENT een nieuwe Art Update. Klik voor inschrijving hier.

Angela Bulloch, Short Big Drama, Witte de With, Rotterdam, t/m 9 april

Real Fiction Cinema

We waren goed en wel binnen of de kunstenaar stak van wal. Anderhalf uur later stonden we er nog. Luisterend naar het verhaal van hoe het met Job Koelewijn allemaal gegaan was. Van de grote ommekeer die het het auto-ongeluk teweegbracht toen hij vooraan in de twintig was, van de doorbraak begin jaren negentig, de moeilijke jaren in New York, van het succes en de rijping als kunstenaar en vooral ook van de lessen die je moet leren om bij jezelf uit te komen.

Op de grote tafel midden in het atelier was het net zo vol als in de ruimte erom heen. Eén zee van boeken, catalogi, schetsen, maquettes en werken in wording. Met daarbij, heel opvallend, veel klokken en andere attributen die naar de tijd en de vergankelijkheid verwijzen. Een thema dat altijd al een grote rol speelde in het oeuvre en dat nu opnieuw centraal staat.

Daar ging het gesprek dus ook over: de tijd. Of beter gezegd het besef van tijd als datgene wat de mens onderscheidt van de rest van de natuur. Waar hij aan lijdt maar wat ook de bron is van zijn verbeeldingskracht. De tijd en de vergankelijkheid als, in filosofische zin, het enige en het eigenlijke onderwerp van de kunst.

Veel aandacht ook voor Cinema, de mobiele bioscoop in het formaat van een zeecontainer met in de plaats van het projectiescherm een venster. Je gaat naar binnen, je neemt plaats als in een echte bioscoop en kijkt naar de film van de werkelijkheid buiten. 100% echt maar, vanuit de positie die de kunstenaar je biedt, evengoed pure fictie. Een zacht muziekje verhoogt de sfeer. Een van de bekendste en mooiste werken van Job Koelewijn, dat nu, dankzij de inspanningen van een vermogend liefhebber, op drie verschillende plaatsen in een permanente gedaante wordt gerealiseerd.

De schilder die de schilder schildert

De plek waar de schilder woont en werkt is ronduit spectaculair. Roel van der Linden is zijn naam (zie ook Netwerkkunst). Afgelopen week kreeg ik een mailtje binnen met een aantal van zijn nieuwste zelfportretten. Sterk werk, een beetje ‘tongue-in-cheek’, maar wat wil je met een onderwerp als dit. Zelfportretten kennen we al vanaf Rembrandt. Denk ook aan Van Gogh of, actueel nog, Philip Akkermans. Wat valt er als schilder na hún bijdrage nog aan dit genre toe te voegen?

Roel van der Linden, Wolk, Boom, De Schilder, 2012

Als het aan Roel van der Linden ligt nog heel wat. Ieder zelfportret is in een radicaal andere stijl geschilderd, zó anders dat je bijna vergeet dat het onderwerp steeds hetzelfde is. Zeker als je er een aantal van naast elkaar ziet werkt dit heel sterk. Waar stijl altijd een dienende functie had zijn hier de rollen omgekeerd: stijl is het feitelijke onderwerp geworden.

Roel van der Linden, Zelfportret, 2010

Een van zijn meest extreme zelfportretten – en wat mij betreft ook een van de sterkste – is het bovenstaande.

Rembrandt en Van Gogh hadden het er al over: hoe de schilder die zichzelf schildert in een intrigerende cirkel van betekenissen belandt. Immers, hij ‘demonstreert’ al schilderend wie hij is. Of anders gezegd, door te laten zien wat met verf en kleur kan geeft hij een beeld van wie hij zelf in het diepst van zijn wezen is. Schilder dus.

In dit zelfportret voert Roel van der Linden deze gedachte naar zijn uiterste consequentie. De schilder is hier verf en kleur. Zelden kreeg de taal van de schilderkunst zo’n indringende en tastbare betekenis.

Wie meer wil weten van de schilder en zijn werk kan zich rechtstreeks tot hem wenden. Op http://roelvanderlinden.wordpress.com/ vind je alle verdere informatie.

Maak een afspraak voor een bezoek aan zijn zwembad-atelier-woning in Blijdrecht. Om te ontdekken dat zelfportretten ook abstracte schilderijen, landschappen of trossen bananen kunnen zijn.

Studio Job

Tot 4 maart kun je er nog voor terecht in het Groninger Museum. De tentoonstelling van het werk van Studio Job is zonder meer een must voor iedereen die de vinger aan de pols van de tijd wil houden. Kijk voordat je gaat wel nog even naar het gesprek met Job Smeets en Nynke Tynagel in De Wereld Draait Door van 6 december.

De reacties hierop logen er niet om. Met name de luchtigheid waarmee de twee kunstenaars reageerden op vragen over hun controversiële ‘Buchenwald-hek’ schoot menigeen in het verkeerde keelgat. “Wat een slap gelul zeg”, twitterde NRC’s kunstrecensent Tracy Metz. Niks anders dan een publiciteitsstunt, maar dan wel een heel smakeloze, was een veel gehoord commentaar. Een politiek incorrecte provocatie. En inderdaad, de twee zaten erbij alsof ze het erom deden.

Maar als we constateren dat ze zich van sluikse middelen bedienen en dat hun motieven dubieus zijn, betekent dat dan ook dat we hun werk afwijzen? Of staat onze waardering daar los van? Stel je voor wat er gebeurd zou zijn als de kunstenaars op televisie wél getuigd hadden van een oprecht engagement? Zouden we om die reden een grotere waardering voor hun werk gehad hebben?

Ik zou zeggen een reden te meer om de reis naar Groningen te ondernemen. Om daar vast te stellen dat niets is wat het in eerste instantie lijkt. Met de wijze waarop ze ver uit elkaar liggende, ongerijmde beeldwerelden weten te combineren brengen Job Smeets en Nynke Tynagel je in een voortdurende staat van aangename verwarring. De enige bindende factor in het werk is de consequente, strenge uitvoering ervan, zo helder en overtuigend dat het vanzelf omkranst wordt met het aura van echte kunst.

Een van de hoogtepunten was wat mij betreft het ‘wandkleed’ met als titel Bavaria. Een digitale print op gigantisch formaat, ontdaan van alle authentieke ambachtelijkheid, met allerlei eigentijdse, a-typische details, maar in zijn precieze en rake uitvoering toch helemaal één met het wezen van volkskunst. Al kijkend naar de fraaie kleuren en vormen realiseer je je dat dit echte kunst is. Maar die Heimat-cultus – en zeker als het om Beieren gaat -, is dat niet helemaal fout?

Met dezelfde middelen als waarmee we verleid worden om weg te dromen stelt Studio Job moeilijke vragen aan de orde. Met als resultaat een even verwarrende als indringende samenspraak die om nieuwe intellectuele en morele kaders vraagt.

Studio Job & Groninger Museum, t/m 4 maart

L’amour fou

Pablo Picasso, De kus, 1925, detail

Laatst zag ik op televisie een zenleraar die uitlegde dat de Boeddhistische leer inhoudt dat je je door niets laat meeslepen. Leven zonder fascinatie, daar gaat het om.

Ik moet eraan denken nu ik bezig ben met de voorbereiding van mijn cursus over Picasso en steeds meer in de ban raak van het leven en het werk van een kunstenaar voor wie passie en overgave nou juist de kern van alles is. Je zou je kunnen afvragen wat dit zegt over de verschillen tussen oost en west. Feit is dat Picasso altijd gezien werd als de belangrijkste kunstenaar van de vorige eeuw en daarbij als de laatste grote meester van een eeuwenoude traditie. In veel opzichten dé belichaming van alles wat de westerse cultuur aan waarden en ideeën heeft voortgebracht.

Maar of hij deze rol nog lang zal weten te behouden? Het is zeer de vraag. Niet alleen verliest het begrip ‘westers’ snel aan betekenis, ook de veranderende mores zijn in het spel. De bril waardoor we naar de geschiedenis kijken is een heel andere dan die van pakweg dertig jaar geleden. Wat een wat nadere blik op het werk van de grote meester niet minder interessant maakt, integendeel.

Een kleine schets ter illustratie. In het derde deel van zijn biografie over de kunstenaar beschrijft John Richardson hoe Picasso op straat – tijdens een van zijn zoektochten naar de amour fou, het product van verboden, spontane lust - in Marie-Thérèse Walter de goddelijke kind-vrouw tegenkwam die helemaal beantwoordde aan zijn droombeeld. Met haar voluptueuze vormen, haar kinderlijke onschuld en natuurlijke vitaliteit vertegenwoordigde zij het tegenovergestelde type van zijn toenmalige echtgenote, de slanke, gedistingeerde Olga.

Hij nam haar bij de arm en sprak haar aan met: “Ik ben Picasso, jij en ik gaan samen grote dingen doen”. Het meisje had nog nooit van de kunstenaar gehoord. We schrijven januari 1927, zij was zeventien jaar, Picasso vijfenveertig. Twee dagen later ontmoetten de twee elkaar volgens afspraak bij het metrostation van Gare Saint Lazare. Het begin van een liefdesrelatie die bijna tien jaar zou standhouden.

Pablo Picasso, Portret van Marie-Thérèse, 1935

Jarenlang koesterde de schilder zijn nieuwe verovering als zijn persoonlijke geheim. Daarbij groot genoegen scheppend in het opnemen van alle mogelijke gecodeerde verwijzingen in zijn werk. Alle kenners zijn het er wel over eens, de periode ‘Marie-Thérèse’ is een van de vruchtbaarste en rijkste uit het oeuvre van de kunstenaar.

L’ amour fou was een van de centrale thema’s in de kunst van de jaren twintig. De spontane liefde, onweerstaanbaar en avontuurlijk, als de directe respons op een fysieke prikkel, door het toeval gegeven en – vooral ook – niet gehinderd door de burgerlijke moraal, werd gekoesterd als een onontbeerlijke bron van creatieve energie. De talloze, prachtige maar soms ook duistere en waanzinnige portretten die Picasso van Marie-Thérèse maakte zijn hiervan het product.

6x Picasso, vanaf 13 maart in Eindhoven en Maastricht

Daan van Golden

In een tijd dat de grote vernieuwingsbewegingen elkaar nog in snel tempo opvolgden koos Daan van Golden voor een plek in de luwte. Om van daaruit met een fijnzinnige visuele poëzie een geheel eigen positie op te bouwen.

Vijfenzeventig is hij inmiddels en zijn werk heeft alleen maar aan betekenis en actualiteit gewonnen. Tegenover het spectacularisme van onze tijd plaatst hij trage beelden die alleen werken als je de tijd neemt. Om in stilte en verwondering te kijken én te denken.

 

Neem de drie schilderijen met de titel Heerenlux. In een zaaltje apart. Alledrie in hetzelfde rood op wit, alledrie hetzelfde onderwerp. Nummer een, apart opgehangen aan een verder lege wand, laat het origineel zien, uit 1993. Nou ja, origineel, voor zover je daar bij een schilderij als dit  überhaupt van kan spreken? Wat stelt het immers voor? Niet meer toch dan een stukje behang, bedoeld om de boel een beetje op te fleuren.

Daartegenover twee keer een uitvergroot detail uit het eerste werk, één op een doek van ongeveer hetzelfde formaat, uit 2003, het ander wat kleiner maar wel met precies dezelfde afbeelding, uit 2011.

Wat ze elk afzonderlijk doen, doen ze meer nog in samenspraak: uitnodigen om te kijken.  Wie zich laat verleiden zal als eerste vaststellen dat niets is wat het in eerste instantie lijkt. Het bloemetjesmotief blijkt een precies getekende compositie, opgebouwd uit allemaal verschillende elementen. Niet twee blaadjes of takjes zijn gelijk en toch oogt het als een regelmatig patroon, zonder richting, zonder hiërarchie. We zien eenheid en variatie, verbondenheid en uniciteit. Een uiterst bevredigende gewaarwording die raakt aan de diepste ervaring van het bestaan.

Alles is hetzelfde en toch ook weer anders, overeenkomstig maar niet gelijk. Met de twee doeken aan de tegenoverliggende wand wordt dit spel nog verder opgevoerd. Wat in doek een in principe nog een inwisselbaar element was, wordt nu opeens een unieke gestalte. Uiterst levendig en krachtig, bijna abstract en hoe dan ook van een heel andere orde dan het doek waar het uit voort komt.

Maar welk detail is hier eigenlijk uitvergroot? En wat doet de herhaling van hetzelfde element maar dan op net iets ander formaat?

Het kijken houdt nooit meer op.

Daan van Golden, De Hallen Haarlem, t/m 4 maart