Laura Lima’s Dopada

Laura Lima, Dopada, 1997-2006

De gedrogeerde vrouw is bij voorbaat het meest spraakmakende werk dat op de tentoonstelling van Laura Lima in het Bonnefantenmuseum te zien zal zijn. Dopada is de titel. Gekleed in een wit gewaad, liggend op de grond in een verder lege zaal, haar hoofd via een rode extensie verbonden met de ruimte en van opening tot sluiting van het museum in een roes gebracht, schept de liggende vrouw een enigszins verontrustend maar ook betoverend beeld. Reëel en tastbaar maar ook vreemd en ongrijpbaar. Tijdens de preview afgelopen week beschreef de kunstenaar het werk als een schilderij, een visueel beeld in een kader, alleen met wat minder conventionele middelen tot stand gekomen. En inderdaad, als je er even over nadenkt kun je daar wel iets mee. Het lichaam als kader, de dromen in haar hoofd als beeld, heel eenvoudig eigenlijk.
Geen schilderij op doek in een lijst, dat in elke geval niet. Voor Laura Lima gaat het verhaal van de schilderkunst ook over de wijze waarop het westen in de loop der eeuwen over de wereld heeft geheerst. Als instrument van het culturele imperialisme dat ook Zuid-Amerika eeuwen lang in de greep heeft gehouden, is het klassieke schilderij met een politieke betekenis beladen geraakt.

Laura Lima, Wheelchairs, 2011-12

Met zijn uitgesproken streven om ook niet-westerse geschiedenissen in beeld te brengen sluit het Bonnefantenmuseum aan bij een brede ontwikkeling. Met name ook de Braziliaanse kunst kan zich de laatste jaren in een toenemende belangstelling verheugen. Onlangs nog was er de alom bejubelde tentoonstelling van Mira Schendel in Tate Modern, eerder al werden met een aantal retrospectieven in prestigieuze musea in de VS en Europa grootheden als Lygia Clarck en Hélio Oiticica aan de modernistische canon toegevoegd. En nu dus Laura Lima die als mid career kunstenaar met een internationale naam de BACA-prijs heeft gekregen en bij die gelegenheid nu ook in Maastricht exposeert.
Andere werken die er worden getoond zijn een serie rolstoelen op basis van iconische modernistische ontwerpen van o.a. Rietveld, Le Corbusier en Eames, een naaiatelier in bedrijf waar kostuums voor schilderijen worden vervaardigd en een toilet waarvan de spiegel boven de wasbak door twee handen die uit de muur steken wordt vastgehouden. Allemaal in gebruik en live uitgevoerd door speciaal getrainde medewerkers en vrijwilligers.
Overigens, de tentoonstelling is opgezet als een work in progress. Informeer dus even bij het museum wat er al te zien is.

Laura Lima, the fifth floor, Bonnefantenmuseum Maastricht, tot 11 januari

Mark Rothko

Mark Rothko, Untitled, 1953

Het probleem met een Rothko-tentoonstelling is dat er veel te veel te zien is. De tentoonstelling in Den Haag vormt daar geen uitzondering op. Wat één schilderij apart kan teweeg brengen, wordt weer teniet gedaan door het in een reeks te tonen. En dat is in een museum nu eenmaal altijd het geval. Je komt een zaal binnen en daar hangen ze, als de kralen aan een ketting.
Bij de meeste kunstenaars is dat geen probleem, bij Rothko werpt het een vrijwel onoverkomelijke barrière op. Opgehangen in een reeks krijgen de doeken precies de kwaliteit waar de kunstenaar zo beducht voor was, die van decoratie. Wie wat meer in het verhaal van Rothko duikt zal leren dat dit een van zijn grote frustraties was. Dat de mensen zijn kunst als ‘mooi’ betitelden. Indrukwekkend van formaat en zo intens van kleur, dat soort lof. Het misverstand was groot en veelal onoverbrugbaar. Hém was het om iets heel anders te doen. Om een beeldruimte waarin kleur zich als een levende, geestelijke entiteit kon openbaren. Leg dat maar eens uit. Zelden was iets van waarde zó weerloos. 

Mark Rothko, Untitled, 1970

Nog iets dat je op een tentoonstelling van Rothko danig in de weg kan zitten: het feit dat je weet van het tragische einde van de kunstenaar. Dat iemand die zo’n prachtige kunst maakte, die zó werd bewonderd, zelf geen vreugde aan zijn bestaan kon ontlenen. Althans zeker niet in zijn laatste jaren. Het voelt bijna als verraad: alsof je gestraft wordt voor een liefde die intens en oprecht is, maar die blijkbaar niet kan bestaan.
Toch past deze tragiek perfect bij het werk. Ook zonder de zelfmoord doet de schoonheid ervan pijn. Iets wat trouwens ook geldt voor het werk van een aantal tijdgenoten: Barnett Newman, Nicolas de Staël, Arshile Gorky. Grote schilders van direct na 1945. In het begin van de eeuw geboren, in de bloei van hun leven geraakt door crisis en oorlog en pas op relatief late leeftijd als kunstenaar tot ontwikkeling gekomen. Voor altijd getekend door de oorlog, beladen met een last die ze niet konden dragen.
Sublieme, abstracte schoonheid was hun antwoord, kunst die niet van deze wereld is. Dat geldt zeker voor de doeken van Rothko. Ze zijn niet geschilderd maar ontstaan. Als het product van een gegeven krachtenspel. Ieder schilderij is uniek maar verbeeldt tegelijkertijd een ultieme uitspraak. Over kunst maar ook over het leven als geheel. De ideale Rothko-tentoonstelling zou met één volstaan.

Mark Rothko, Gemeentemuseum Den Haag, tot 1 maart

Marlene Dumas in het Stedelijk

Marlene Dumas, Het kwaad is banaal, 1984

Het moet ergens halverwege de jaren tachtig zijn geweest. De Jan van Eyck Academie organiseerde bijeenkomsten met kunstenaars die aan de weg timmerden en dit keer was het de beurt aan Marlene Dumas. Ze was begin dertig en had al enige naam gemaakt met haar autobiografische, psychisch beladen schilderijen. Wat me van die avond vooral is bijgebleven is de volkomen ongedwongen wijze waarop de kunstenaar zichzelf en haar werk presenteerde. In gewone mensentaal, zonder enige poeha, artistieke air of wat dan ook. Misschien zelfs wel een beetje té gewoon. Ging het hier überhaupt wel over kúnst?
De vraag was des te meer op z’n plaats omdat ook de commentaren op haar werk meer aandacht schonken aan het verhaal erachter dan aan de schilderijen zelf. De Zuid-Afrikaanse roots van de kunstenaar, haar persoonlijke ervaringen en herinneringen, de strijd tussen zwart en wit, tussen man en vrouw, dáár ging het vooral om. Een verhaal dat des te meer lading had omdat Nederland juist in deze dagen ernstig worstelde met haar Zuid-Afrika-standpunt. Anti-apartheidsactivisten namen fel stelling tegen de gevestigde orde die zich de Zuid-Afrikaanse sinaasappels prima liet smaken en Mandela zag als de leider van een terroristische organisatie. Voor beide kampen overigens leende het werk van Dumas zich niet bepaald als uithangbord. Daarvoor was het simpelweg te persoonlijk, te particulier. Wat vooral in het linkse kamp de nodige scepsis opriep.
Over de zuiver schilderkunstige aspecten ging het in verhouding maar weinig. Wat niet wegneemt dat de kunstenaar juist ook hier bewondering mee oogstte. ‘Ambachtelijk heel knap geschilderd’ heette het steevast, een kwalificatie die op zich al volstond om haar werk op een voetstuk te plaatsten en het er verder niet meer over te hebben. Want was dat niet juist wat zolang aan de moderne kunst had ontbroken: liefde voor het vak?
Dumas kwam er in het enigszins dubieuze gezelschap mee van mensen die weinig met hedendaagse kunst op hadden. Niet verwonderlijk dan ook dat de kunstenaar naast bewondering ook fikse kritiek te verduren kreeg. Deze kwam vooral uit de hoek van de artistieke incrowd: te verhalend, teveel op materiaal en effect, te weinig inhoud en substantie. Schilderkunst was vanaf het einde van de jaren zeventig weliswaar weer volop in ere hersteld, maar dat was vooral het werk van postmoderne kanonnen als Richter en Kiefer, of de zelfbenoemde Malerfürst Lüppertz. Mannen met een ego die in grootse stijl stelling namen tegen het modernisme en hun eigen plaats opeisten in de geschiedenis. De  doorleefde maar ingetogen schilderkunst van Dumas stak hier maar bleekjes bij af.

Marlene Dumas, Osama, 2010

Inmiddels zijn we dertig jaar verder en wordt de kunstenaar met een overzichtstentoonstelling in het Stedelijk geëerd als een van de grootheden van onze tijd. Oók internationaal is ze een ster. 
De redenen waarom Marlene Dumas nu zo bejubeld wordt zijn in principe dezelfde als waarom ze in haar beginjaren zoveel weerstand opriep. Allereerst omdat ze kunst maakt die door en door vrouwelijk is. Niet alleen vanwege haar onderwerpkeuze, ook niet persé omdat ze zelf een vrouw is maar wel als het gaat over de sensitiviteit die uit haar werk spreekt. Wars van de plastische spierballentaal die in haar jonge jaren nog de norm was. Eerder uitnodigend tot beleving dan tot beschouwing.
Daarbij wordt Dumas terecht geëerd als een van de eerste schilders die uitgebreid gebruik maakte van foto’s en een brug sloeg tussen kunst en beeldcultuur. Inmiddels is dat common practice, dertig jaar geleden riep dat nog heel wat bedenkingen op.
Het is geen verdienste maar nog iets waarmee ze haar tijd ver vooruit was: het feit dat ze vanuit een kosmopolitische achtergrond opereerde en deze tot onderwerp van haar kunst maakte. Ze deed dit al toen de Muur nog moest vallen, in China alle deuren en vensters nog dicht waren en het westen de agenda dicteerde, ook in de kunst.
Toen Marlene Dumas in 1976 Zuid-Afrika verliet om in Nederland te komen studeren, kon zij, net zomin als iemand anders, bevroeden wat de toekomst zou brengen. De tentoonstelling in Amsterdam maakt duidelijk dat tijd ook nauwelijks een rol heeft gespeeld. Mét alle relevantie die het werk in de loop der jaren heeft gewonnen is de grote constante ervan dat het zo intens persoonlijk is. Kwetsbaar en groots tegelijk.

Marlene Dumas, The Image As Burden, Stedelijk Museum Amsterdam, tot 4 januari

Bericht uit Chicago

De kop van Jaume Plensa blijft fascineren (zie ook Floating Images). Op weg van mijn hotel naar de stad én terug kom ik haar dagelijks tegen en na een weekje Chicago is er echt iets ontstaan. Goede kunst lééft, maar zó letterlijk en zó sterk heb ik ‘t zelden meegemaakt. Gisteravond toonde ze weer een heel nieuw gezicht, een en al sereniteit, oplossend in de melkachtige schemering van een mooie nazomerdag.

Van een hele andere orde is het gigantische openluchttheater van Frank Gehry in het Millennium Park, de plek ook waar Obama met zo’n kwart miljoen stadgenoten in 2008 zijn overwinning vierde. Typisch de lawaaiarchitectuur waar de sterarchitect sinds een jaar of twintig patent op heeft maar wel helemaal op zijn taak berekent. Afgelopen zaterdag zaten er zo’n twintigduizend mensen of meer. Allemaal gewapend met stoeltjes, drankjes en hapjes, afgekomen op een uitvoering van Mozarts Don Giovanni door de plaatselijke opera. Alles klopte, het glasheldere geluid uit de state-of-the-art-geluidsinstallatie aan het boogvormige grid boven het publiek, Gehry’s podium als een mega-oog met kleurrijk opgemaakte wimpers en dan ook nog het decor van een twinkelend zuilenwoud van tall buildings.

Gisteren was het absolute hoogtepunt van de reis: de Johnson Wax Company in Racine,  Anderhalf uur met de bus vanuit Chicago. Ik kende Wrights beroemde bouwwerken natuurlijk van foto’s – wie niet?, zou ik haast zeggen – en heb er in de loop van de jaren vaak over verteld. De Administration Building uit 1936-39 en de Research Tower uit 1949-51, de eerste nog net iets befaamder dan de tweede. Eerder in de week hadden we het vroege werk van de grote architect al uitgebreid leren kennen. De Frank Lloyd Wright Home and Studio, de Unity Temple en enkele vroege villa’s, allemaal in Oak Park. En natuurlijk ook het ongeëvenaarde Robie House aan de zuidkant van de stad, algemeen gezien als hét startpunt van de moderne architectuur. En toch, niets had ons voorbereid op wat ons in Racine te wachten stond. Alle foto’s die er ooit gemaakt zijn geven slechts een flauwe indruk, al het eerdere werk wordt er door in de schaduw gesteld. Ronduit adembenemend, kippenvel. Dit is geen architectuur maar kunst, van het allerhoogste niveau, uitgevoerd met de middelen van de architectuur.
De volgende keer naar Chicago (wellicht september 2016) wordt het nog wat meer architectuur. Eén dag extra met de bus en dan ook naar Mies van der Rohe’s Farnsworth House. Ook zo’n werk waarvan je kan verwachten dat het op zich al de reis de moeite waard maakt.

Floating images

Hoe iets dat zó aanwezig is zó ongrijpbaar kan zijn. Wat zie je hier eigenlijk? Een enorm beeld van een kop, dat zeker, maar verder? Een object is het niet, eerder een projectie. Of een verschijning, misschien is dat wel het beste woord.
Het werk is de recente bijdrage aan het ungoing project van de Spaanse kunstenaar Jaume Plensa: een portret van de bevolking van Chicago als deel van de inrichting van het Millennium Park.

Een wit beeld van een zwart meisje, dat alleen al! Als je erop af loopt krijg je het scherper in beeld. Heel groot inderdaad, opgebouwd uit een aantal blokken, dat zie je nu ook. Maar toch, ook van dichtbij blijft het ongrijpbaar en vluchtig. Het is niet alleen de polyester die dit doet, een non-materiaal dat ieder gevoel van massa ontbeert, maar vooral ook de vormgeving. Die zorgt ervoor dat je voortdurend je waarneming moet bijstellen. De breedte die niet overeenkomt met de hoogte, waardoor de kop niet echt driedimensionaal werkt. Een effect dat wordt versterkt doordat alle vormen en details niet scherp getekend zijn maar vervagend en zacht, als een spel van licht en schaduw dat op het werk is geprojecteerd.

Ook het werk van Sabina Ott, iets verderop in het Chicago Cultural Center, laat zich maar moeilijk vatten. En ook hier komen we terecht in een wereld die in een constante flux verkeert, waarin beelden dingen zijn en dingen beelden. Gewichtsloos zwevend in de ruimte werken de sculpturen meer als visuele fenomenen dan als tastbare objecten. Hun vorm net zo vloeibaar en vluchtig als de materialen waar ze uit zijn opgebouwd: styrofoam, plastic, spray-verf. Heel anders dan het werk van Jaume Plensa, maar in taal en denken nauw verwant. Beide zijn100% van nu, zijn even pakkend als ongrijpbaar en horen bij een wereld die in een constante staat van transformatie verkeert. Onze wereld dus.

Sabina Ott: here and there pink melon joy, Chicago Cultural Center, tot 4 januari 2015

Op zoek naar Aad de Haas

Aad de Haas, De spijbelaar, 1956, Bernardinuscollege Heerlen

Hartverwarmend, maar ook indringend én mooi. Een hele dag met Aad de Haas is zonder meer een ervaring. Wie echt wil weten waarom moet de volgende keer maar meegaan. Op vrijdag 26 september staat de tweede Tour d’Aad gepland, wie weet komt er ook nog een derde.
Eerst naar het Bernadinuscollege in Heerlen, met onder andere De spijbelaar uit 1956 – prachtig! -, dan naar de laatste werken in de kapel van Vijverdal in Maastricht, begin van de middag het hoogtepunt: de roemruchte schilderingen in het kerkje van Wahlwiller, en afsluitend de vrijwel onbekende maar geweldige kruiswegstaties voor de kapel van het Sint-Jozefziekenhuis in Heerlen. Dat alles met als groot scharnier het nog altijd verbijsterende verhaal van een kunstenaar die, nadat hij al in 1943 vanwege zijn werk door de Duitsers was vastgezet, rond 1950 in Limburg moest meemaken hoe zijn werk opnieuw als ‘entartet’ werd weggezet, nu door het kerkelijke gezag.

Een mooi, melancholiek moment was het bezoek aan kasteel Strijthagen, het vorstelijke onderkomen waar de kunstenaar een groot deel van zijn leven woonde en werkte. Als enig spoor van dit verblijf is in een van de kamers de geschilderde cartouche met een gestroopte haas te zien, het ironische wapen van de nieuwe, armlastige kasteelheer.
Het complex lag er verlaten bij. De scheefgezakte rentmeesterswoning, krachteloos aanschurkend tegen het hoofdgebouw, leek de moed al te hebben opgegeven. De gedachte drong zich vanzelf op: is het met het werk van de laatste bewoner van dit complex niet net zo gesteld? Wie heeft er nog belangstelling voor? Ja, de mensen met wie ik op stap was wel, maar verder? En ook: waar zou je het geld vandaan moeten halen om het te onderhouden? Is het met kunstenaars als Aad de Haas niet hetzelfde als met al die kastelen, kloosters en kerken. Ieder dorp of gehucht heeft er wel een, verweesd en verlaten. In de steden zijn het tientallen. Wordt de last van dat erfgoed niet te groot?
Gelukkig, de vergelijking gaat mank waar de kunst triomfeert. Het zou me niet verbazen als Aad de Haas in de nabije toekomst herontdekt wordt en een nieuw leven krijgt in een wereld die net als de zijne op zoek is naar een mogelijk nieuwe betekenis.

Tour d’Aad, vrijdag 26 september, Schunck, Heerlen