Art Basel

Wolfgang Tillmans, 2016, Zonder titel

Wolfgang Tillmans, 2016, Zonder titel

Zelden zoveel glunderende hoofden bij elkaar gezien, je kon erover lópen! Zou het de kunst zijn die dit doet? Of speelt ook iets anders? Eén ding is zeker: geen plek ter wereld waar meer welvaren samenkomt dan in Basel tijdens de vier dagen van ’s werelds grootste kunstbeurs. En dat merk je aan alles, van een glas water van zes euro tot een print van honderdtachtigduizend.
Maar hoe zou het ook anders kunnen? Er is maar één topbeurs en daar wil iedereen naar toe. En die print is een geweldig werk dat hoog op het verlanglijstje van menig museum en verzamelaar staat. Wie zou er zijn bezoekers niet mee willen betoveren?
Het is in de kunst niet anders dan in de rest van de wereld. Ook hier gelden de wetten van de schaarste. Zoals dat er altijd veel meer drang en geld is dan visie of smaak. Dat er geen grens is aan kwaliteit en dat alleen het allerbeste de rol toekomt ons werkelijk te vervoeren. Zoals het werk van Wolfgang Tillmans bijvoorbeeld, een print van zo’n drie meter hoog, volkomen abstract en toch vol leven, intens van kleur en op een wonderlijke wijze het beste van fotografie en schilderkunst verenigend.

Mark Manders, 2011-15, Room with Unfired Clay Figures

Mark Manders, 2011-15, Room with Unfired Clay Figures

Of de kleisculpturen van Mark Manders, ook zo’n topper. Te koop bij Zeno X uit Antwerpen, naar verluid voor anderhalf miljoen. Prijskaartjes hingen er niet bij maar het zou me niets verbazen. Geweldig werk, mysterieus en fascinerend. Alleen al hoe die koppen de tijd weerstaan en de hele kermis om hun heen reduceren tot ijdele druktemakerij. Kunst waar je niet omheen kunt, ook niet als je er niet zo veel me ophebt.
Waar zie je dit?

Andrea Crespo, 2016, Signals

Andrea Crespo, 2016, Signals

Met groeiende verwondering laat je je meevoeren. Alles bekijken is onmogelijk en het is vooral ook zaak om je antennes goed af te stellen. Zeker als je ook for business en niet alleen for pleasure bent gekomen.
Op de hoofdbeurs valt het meeste sowieso af. Daar ga je vooral heen voor het spektakel van de grote sterren. Zelden dat je er nog werk vindt dat én betaalbaar én relevant is.
Als koper/verzamelaar van jonge, hedendaagse kunst moet je het hebben van de side events, de twee bijbeurzen die elk op zich trouwens ook weer une mer à boire zijn. De eerste Volta, kun je wel weer schrappen: veel light art en weinig substantieels. Kunst voor boven de bank. Blijft eigenlijk alleen Liste over, de beurs voor ambitieuze galeries die de grenzen opzoeken en veelal met jonge kunstenaars proberen te scoren. Zoals Kraupa-Tuskany Zeidler met Andrea Crespo: 24, vrouw/man, New York, op een even lucide als indringende wijze bezig met kunst die sociale media en biotechnologie inzet voor het onderzoek naar een nieuwe seksuele identiteit. Geestrijk, spannend en 100% van nu.

Alles of niets

Scholte Rob, 2015, Embroidery Show, K16, 01

Stel je voor: zalen achter elkaar gevuld met honderden doeken en doekjes, allemaal met dezelfde soort lijst, dicht op elkaar in groepen geordend. Als mozaïek maar ook elk afzonderlijk zó kleurrijk en zó veel dat je je vanzelf verliest in een gulzig kijken. Om je even later met enige schrik af te vragen waar je eigenlijk mee bezig bent. Want wat stelt dit nou helemaal voor, niets toch?
Toch blijf je gebiologeerd, als een kind in een snoepwinkel.

Scholte Rob, 2015, Embroidery Show, K16, 24
De zaaltekst geeft aan dat het Rob Scholte vooral te doen is om alle liefde en geduld die de anonieme makers in hun borduursels stopten. Al die uren van ijver en toewijding om, precies volgens het aangeleverde patroon, tot een zo fraai mogelijk Melkmeisje in kruissteek te komen. Door de doeken om te draaien maakt Scholte de worsteling met deze opdracht zichtbaar. Bij de een zijn alle losse eindjes netjes afgeknipt en weggewerkt, de ander was minder benauwd en liet de achterkant ontaarden in een bonte chaos. Met vaak verrassende resultaten: De Nachtwacht maar dan als abstract-expressionistisch schilderij. En toch nog steeds De Nachtwacht.
De Embroidery Show is in de eerste plaats een kunstwerk op zichzelf. Met zijn gigantische installatie transformeert Scholte de traditionele witte wanden van het museum tot een bont mozaïek van kleurvelden. Dat alleen al: dat alle plechtigheid is opgeheven, dat je geen enkele moeite hoeft te doen om binnen te komen, niets hoeft te weten en je je meteen kunt overgeven aan alleen maar kijken. Hoe langer je dat doet hoe meer je ontdekt.
Iedere wand vertelt weer een verhaal apart. Daar gaat het dus ook over: de kunstgeschiedenis met zijn genres, zijn periodes en stijlen. De gemeenschappelijke deler is dat alle werken geborduurde versies van bekende schilderijen zijn. Een vette knipoog zou je zeggen, en dat is het zeker. Maar er is meer.

Scholte Rob, 2015, Embroidery Show, K16, 18
Veel meer. Dat zó gepresenteerd alle kunst gelijkgeschakeld is bijvoorbeeld. Het Zigeunerinnetje doet niet onder voor het Melkmeisje. Dat je kijkt naar reeksen reproducties die allemaal zo dicht mogelijk bij het origineel proberen te komen maar toch een individueel stempel dragen. De kunstfilosofie van Walter Benjamin, maar dan zonder tekst, in kruissteek! Maar vooral toch dat alle pretentie is opgeheven, dat je zonder enige verplichting zelf met de kunst en de geschiedenis aan de slag kunt zonder je ook maar een moment te vervelen.
Wat oogt als een gimmick ontpopt zich gaandeweg als een uiterst geestrijk exposé. Rob Scholte’s Embroidery Show: zelden was kunst leuker.

Rob Scholte’s Embroidery Show, Museum De Fundatie Zwolle, tot 18 september

Neuen Wilden

Oehlen, Albert, 1982, Führerhauptquartier

Albert Oehlen, Führerhauptquartier, 1982

Schilderen als een daad van bevrijding, als een radicale afwijzing van alle gezag en pretentie en als een bewuste provocatie van de goede smaak. Maar mét dit alles toch vooral ook een omarming van het echte leven. Want dat laatste is wat je het sterkste voelt, die aanstekelijke, zinderende energie die rechtstreeks uit het leven zelf voortkomt en die, rauw en direct vertaald in verf en kleur, ook na vijfendertig jaar nog maar weinig aan kracht heeft ingeboet.
Misschien dat onze tijd ook best wel weer eens zo’n shot kan gebruiken. Onversneden levensdrift als tegenwicht voor twijfel en onzekerheid, voor navelstaarderij en getuttebel? Niet dat ik denk dat het dáárom zo druk was in het Groninger Museum. Je kon over de hoofden lopen maar dat was, vrees ik, toch vooral te danken aan de door de bankgiroloterij georganiseerde open dag met gratis openstelling. Niettemin: het zinderde, dat zeker, zowel van de kant van de kunst als van het publiek.
Ooit werden hun namen groot geschreven, een aantal is uitgegroeid tot internationale ster, maar de meesten zijn we ook al lang weer vergeten. Peter Bommels, Elvira Bach, Peter Angerman, wie kent ze nog. Martin Kippenberger en Albert Oehlen, die wel natuurlijk. Mooi om te zien trouwens hoe het ook voor hen ooit begon, toen ze zich als jonge schilders lieten meevoeren door hun tijd en wars van iedere behaagzucht of pretentie hun werk in dienst stelden van de politieke en maatschappelijke strijd.
Maar verder? Lopend over de tentoonstelling komt een aantal namen weer terug. Dokoupil bijvoorbeeld, geweldige schilder, lang niet meer van gehoord maar in zijn tijd wél een hele grote. Walter Dahn, Reiner Fetting, die zeker ook. En wat te denken van Salomé? Een van de Neuen Wilden die Rudi Fuchs in 1982 prominent presenteerde op zijn Documenta. Een schilder die daarna zijn sterstatus vooral te gelde maakte met society-portretten, maar wiens carrière ooit begon met duistere homo-erotische schilderijen vol seks en bloed. Blutstutz uit 1979 is nog altijd een verbijsterend schilderij en een van de toppers op de tentoonstelling.

Salomé, Blutstrurz, 1979

Salomé, Blutstrutz, 1979

We schrijven de vroege jaren tachtig. Duitse kunst was hot. Nadat de grote kanonnen van de vorige generatie – Baselitz, Lüpertz, Polke, Richter, Kiefer – de weg hadden vrijgemaakt, zetten de jongeren de boel op scherp. Met grof geweld werd het bastion van de kunst opengebroken. Een daad van verzet en minachting die een aangename huivering teweeg bracht en die – zij het maar voor even – de verleidelijke illusie van een geheel nieuw begin in zich droeg. Een illusie waar je je ook nu nog graag aan laaft. Ga naar Groningen en zuig je vol!

Nieuwe Wilden, Groninger Museum, tot 23 oktober

Performing for the Camera

Perfprming for the camera 02

De foto op het affiche is meteen een van de sterkste. We zien de Zwitserse kunstenaar Romain Mader in de rol van de kneus die op zoek is naar een vrouw, samen met een van zijn kandidaten. Ekaterina heet de serie, een geestrijk project waarin de fotograaf het postorder-bruid-toerisme in de Oekraïne als vertrekpunt neemt voor een onderzoek naar het ‘echte leven’. Het leven van nu dus, dat hij in al zijn gekunsteldheid, absurditeit en ongrijpbaarheid zo dichtbij weet te brengen dat het toch weer tastbaar wordt. Én menselijk.
‘Performing Real Life’ heet de afdeling waar Mader’s werk is ondergebracht. Je komt er binnen nadat je via zalen als ‘Documenting Performance’ of ‘Photographic Action’ al een hele reis door de tijd hebt gemaakt. En wat voor een! Performing for the camera is niet zomaar een tentoonstelling, maar een groots opgezet overzicht dat je met nieuwe ogen naar de geschiedenis laat kijken. Je voelt de fascinatie die de fotografie van meet af aan heeft opgeroepen. Als een medium dat de werkelijkheid dichterbij brengt en tegelijkertijd in een illusie laat oplossen. Maar ook als een spiegel die je kunt manipuleren en waarmee je je eigen werkelijkheid kunt scheppen.

Perfprming for the camera 01 Yves Klein, Action spectacle, 1960

Yves Klein, Action spectacle, 1960

Vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw werden de mogelijkheden van de geënsceneerde fotografie als een nieuwe kunstvorm onderzocht. Met de performance als resultaat. Kunst die in dienst stond van het leven zelf, die eenmalig voor een publiek werd uitgevoerd en zich onttrok aan de machinaties van het grote geld. Wat van het werk overbleef was alleen de herinnering én natuurlijk de foto’s waarmee het was vastgelegd.  De oorspronkelijke afdrukken van deze laatsten hebben in de loop der jaren een cultstatus gekregen en, oh ironie, een passend prijskaartje. Relatief klein en in zwart-wit, hangen ze fraai ingelijst in lange reeksen aan de wand. Klassieke performances van Yves Klein of Yayoi Kusama. Sober maar krachtig in beeld gebracht, wars van alle visueel spektakel, louter als appel aan de verbeelding. Heel mooi.

Amalia Ulman, Excellences & Perfections, 2013

Amalia Ulman, Excellences & Perfections, 2013

De tentoonstelling sluit af met de recente maar nu al vermaarde Instagram Performance van Amalia Ulman: Excellences & Perfections. We zijn terug op de afdeling “Performing Real Life”.
Kort naar haar verhuizing naar Los Angeles maakte Ulman haar volgers – inmiddels zijn dat er meer dan honderdduizend – vijf maanden getuige van de transformatie die ze als beginnend kunstenaar in deze culturele hot spot onderging.
Excellences & Perfections gaat over vrouwelijkheid als constructie, niet als iets biologisch of inherent aan het vrouw-zijn, maar iets dat ontstaat onder druk van de beeldcultuur. Instagram is hiervoor hét medium. Jonge vrouwen spiegelen zich er aan toppers als Taylor Swift, Selena Gomez, Kim Kardashian West en Beyoncé. Samen al goed voor miljarden likes. Als vrouwelijkheid ergens gestalte krijgt, dan wel hier!
De kunst van Amalia Ulman is evenveel kritiek als toe-eigening. Is dit niet waar onze wereld toe uitnodigt, om van het persoonlijke leven een performance te maken? Als iets dat bestaat bij de gratie van zijn zichtbaarheid en niet zonder podium kan?
Wat het sterk en onontkoombaar maakt is dat de kunstenaar zich evenveel toont als consument dan als producent. De beelden die ze toevoegt wijken nauwelijks af van de grote stroom maar dringen er juist daardoor des te dieper in door. Middlebrow art, niet als defensieve strategie, maar als een effectieve en vooral ook noodzakelijke methode om aansluiting te vinden bij de werkelijkheid van nu.

Performing for the Camera, Tate Modern, Londen, tot 12 juni

Een requiem van de schilderkunst

Newman, Barnett, 1966-67, Who's afraid of red, yellow and blue III

Barnett Newman, Who’s Afraid of Red, Yellow and Blue?, 1966-67

Wat hem ertoe heeft aangezet om er nog een keer over te beginnen weet ik niet. Zou het ‘m nog altijd niet lekker zitten? Kan ik goed inkomen. De oude man die schoon schip wil maken en die dé grote vlek op zijn blazoen wil wegpoetsen. Maar ja, dan wel op z’n Rudi Fuchs. Geen spoor van twijfel maar wel helemaal de prelaat die nog een keer zijn gezag laat gelden.
Had hij dat maar gelaten.
We hadden er met z’n allen allang het zwijgen toe gedaan, het museum, de pers, iedereen eigenlijk wel. Elk om zijn eigen, soms ook dubieuze redenen, maar goed. Sinds de mislukte restauratie is het schilderij nauwelijks meer op zaal te zien geweest en naar mijn weten nooit meer op de plek die het daarvoor altijd zo superieur innam: in het hart van de troonzaal op de belle etage, recht tegenover de grote trap. Dat alle commotie intussen is verstomd, komt niet alleen omdat de hele affaire alweer zo’n vijfentwintig jaar terug ligt – wie maalt er nog om? -, maar ook – en dat is veel erger – omdat het werk van Barnett Newman, net als de koele abstracte kunst van Donald Judd of Ellsworth Kelly, door velen intussen wordt gezien als een historisch misverstand. Hoe men dát ooit serieus heeft kunnen nemen?
Dat laatste met name maakt de hele toestand rond Who’s Afraid vooral zo navrant: afgedankt door het publiek en dan ook nog verlaten door degenen die er pal voor zouden moeten staan.
Fuchs gooit er met zijn artikel in De Groene Amsterdammer nog een schep bovenop. Wie kan zich na lange tijd fijnzinnige nuances van kleuren wel precies herinneren? lezen we. Even verder gaat het over hoe essentieel maat en proportie voor een schilderij zijn – het eerste immers wat een schilder bepaalt –, daarmee implicerend dat al die aandacht voor verf en kleur overdreven is. De kern van zijn betoog is: de restauratie mag dan voor sommigen te hard zijn, het schilderij is in essentie intact. Een betoog gebouwd op valse argumenten en aanmatigende oordelen, waarmee niet alleen dit werk maar een hele schilderkunst ten grave wordt gedragen.
Bijna op het einde komt de aap uit de mouw: Omdat ik alle controverse wil vergeten heb ik besloten dat de zogenaamd vlakke restauratie van het Amsterdamse schilderij nog zo slecht niet was. Als het niet zo treurig was zou je erom kunnen lachen: de vorst zonder land die in de naam van zijn volk een beslissing neemt.
Ik zou zeggen: hou op met je in allerlei bochten te wringen en zeg waar het op staat. De waarheid is dat het museum, in overleg met de gemeente, het niet op een eindeloze en wellicht ook kansloze procedure tegen restaurateur Daniel Goldreyer durfde te laten aankomen en ervoor koos diens broddelwerk formeel als ‘adequaat’ aan te merken. Aan Fuchs als de aantredende nieuwe directeur de taak om de publieke opinie hierin mee te krijgen. Wat hij deed door in de krant Newmans schilderij als een in essentie conceptueel werk te beschrijven en daarmee het belang dat de liefhebbers aan de subtiele kwaliteiten van de verfhuid toekenden te bagatelliseren. De een ervoer dat als verraad, de ander had begrip voor de politieke noodzaak, de meesten hadden geen eigen oordeel en accepteerden zijn gezag. Hoe je er ook naar kijkt, vals was het zeker.
Misschien is het gewoon tijd voor een excuus. Aan Ernst van de Wetering bijvoorbeeld, een van die liefhebbers die zich die fijnzinnige nuances wel degelijk nog herinnerde en om die reden als een van de eersten aan de bel trok. Maar vooral ook omwille van de kunst zelf en de abstract geometrische in het bijzonder. Kunst die ons verrijkt heeft met opwindende inzichten en kijkervaringen, waar Rudi Fuchs het beste van zijn leven aan heeft gegeven en waarvan Who’s Afraid ooit het stralend middelpunt was.

Meer lezen? Zie ook
Who’s afraid I
Who’s afraid II
Who’s afraid? Ann Goldstein?
Who’s afraid III
Who’s afraid? Exit
Who’s afraid IV

Grayson Perry

Grayson Perry, In Its Familiarity Golden, 2012

Grayson Perry, In Its Familiarity Golden, 2012, detail

Schoonheid is een vreemde zaak. We zijn er allemaal naar op zoek, maar zodra het een doel op zichzelf wordt zetten we er vraagtekens bij. Dan is het al gauw té mooi of alléén maar mooi. Echte schoonheid is zich niet van zichzelf bewust. Ze is het product van iets anders, iets hogers of iets lagers, maakt niet uit, als het maar niet gezocht is. Maar hoe zit het eigenlijk met lelijkheid? Bestaat die ook in een goede en een foute variant?
De vraag drong zich aan me op toen ik in het Bonnefantenmuseum voor de wandkleden van Grayson Perry stond. Lelijkheid van de zuiverste soort, 100% Engels. Alleen al die kleuren. Wie ooit een keer naar een show op de BBC heeft gekeken herkent ze meteen: roze en mint, paars en oranje, als het maar het netvlies tart. De vormen en lijnen idem dito, iedere plastische articulatie is consequent gemeden. Van alles heel veel, dat ook. Allemaal even onbeholpen gedaan maar technisch met zoveel toewijding en vakmanschap dat je vanzelf gaat twijfelen. Mis ik hier iets? Het zal toch niet voor niets zijn, al die inzet en al die aandacht?

Grayson Perry, The Walthamstow Tapestry, 2009

Grayson Perry, The Walthamstow Tapestry, 2009, detail

Het grootste werk op de tentoonstelling is The Walthamstow Tapestry, een vijftien meter lang wandkleed dat het leven in zeven fasen verbeeldt. Een tijdloze, mythische voorstelling, duidelijk geïnspireerd op de beroemde Tapisserie de Bayeux en tegelijkertijd een humoristische en kritische analyse van de wereld van nu. De namen van heiligen en koningen zijn vervangen door die van merken, de commercie heeft het van de kerk overgenomen en de mensheid is overgeleverd aan nieuwe machten als marketing en branding.
Toch blijft de vraag waar het werk nu eigenlijk over gaat. Over de tragiek van ons bestaan? Over iets dat er niet meer is? Perry wordt alom geprezen om zijn formidabele vakmanschap, om de wijze waarop hij de eenheid van leven en werk celebreert, om zijn verzet tegen het kunstestablishment en het feit dat zijn werk zo toegankelijk is. Lof die vooral benadrukt wat het niet is: niet intellectueel, niet afstandelijk.

Grayson Perry, The Mother of all Battles, 2011

Grayson Perry, The Mother of all Battles, 2011

Anti-kunst dus? Ja maar dan wel als een typische uiting van Britishness, een diep geworteld verzet tegen elke esthetische verhevenheid en pretentie. Kunst als een travestie van het leven, zoiets. Life is but a joke, neem het allemaal vooral niet te serieus. Perry’s werk is een verkleedpartij waarin alle waarden worden omgekeerd. Op zijn sterkst is het werk als die omkering ook zelf onderwerp is. In een eenvoudige vaas als I love beauty of een fotowerk als The Mother of all Battles. Bij de grote wandkleden wordt het vooral bizar, dan raakt de pun verloren in een zee van loze versierdrift.
“Alleen de grootste zuurpruim kan dat alles weerstaan”, schreef Sacha Bronwasser in haar vijfsterrenrecensie in de Volkskrant. Mag zo zijn, voor mij bleef de vraag: hoeveel charmante onbeholpenheid kan een mens hebben?

Grayson Perry, Hold Your Beliefs Lightly, Bonnefantenmuseum Maastricht, tot 5 juni