Glenn Sorensen

Het gebeurt me wel vaker dat ik kunstenaars tegenkom waar ik nog nooit van gehoord heb maar die wel heel fraai werk maken. Dat ligt natuurlijk gewoon aan mij, alhoewel, enig excuus is er ook. Ik heb er wel eens een rekensommetje op los gelaten en kwam tot de conclusie dat er in Nederland minstens zo’n honderd kunstenaars zijn die relevante, kwalitatief goede hedendaagse kunst maken. We hebben het dan niet over de veel grotere schare van (semi-)beroepskunstenaars die zich gespecialiseerd hebben in de traditionele genres. Als je vervolgens bedenkt dat de Nederlandse actuele kunst zo’n 2% van de wereldmarkt omvat, kom je dus makkelijk uit op zo’n vijfduizend namen die op de internationale podia acteren. Let wel, allemaal kunstenaars die er wat van kunnen en die er hun brood mee verdienen!

Wat ik ook telkens weer constateer is dat pas nadat je wat uitgebreider kennis hebt gemaakt met een kunstenaar en iets meer weet van zijn ideeën en achtergronden, je zijn werk op waarde gaat schatten. Vaak komt het daar niet van en loop je er zomaar aan voorbij. Soms echter gebeurt het omgekeerde en word je spontaan naar binnen gezogen.

Zoals laatst bij Annet Gelink in Amsterdam. Ik was in de buurt en kwam voor het werk van Glenn Sorensen te staan. Typisch zo’n kunstenaar waar je er zoveel van hebt: al jarenlang bezig met onspectaculair maar kwalitatief hoogstaand werk, bestemd voor een trouwe groep bewonderaars en kopers die hem ooit ergens op een internationale beurs of bij een galerie tegen het lijf gelopen zijn.

De medewerkster van de galerie vertelde me dat hij met zijn gezin ergens in the middle of nowhere in Zweden woont. Soms verschijnt hijzelf in beeld, lang dun haar, een beetje sloom, type hippie van het tijdloze soort. Op de website van Corvi Mora, z’n Londense galerie, vind je een hele reeks afbeeldingen van zijn werk. Kleine kunst, letterlijk en figuurlijk, heel persoonlijk en van een grote intensiteit. Portretten van zijn kinderen of vrienden, enkele landschappen maar ook eenvoudige objecten en veel bloemen.

Een aantal recente werken is nu dus bij Annet Gelink te zien. Fijn gepenseelde olieverfjes hoofdzakelijk in zwart-wit, zo te zien geschilderd naar de natuur maar dan wel tot het uiterste teruggebracht. Een bloem of een paar takken, meer niet.

Wat opvalt is dat het vrijwel geheel ontbreken van kleur alle ruimte aan de tekening laat en dat deze op zijn beurt zo levendig en verfijnd is dat je het gevoel hebt naar kleurige schilderijen te kijken. Heel fascinerend.

1 reactie

Nogmaals Komrij over kunst

Gisteren reageerde Gerrit Komrij in zijn column in de NRC op mijn blog van 7 augustus (zie Gerrit Komrij over kunst), Hij doet dit zonder inhoudelijk ergens op in te gaan en ook zonder verwijzing. Eén regel uit mijn tekst is voldoende munitie voor een ouderwetse tirade, niet zozeer tegen mijn persoon als wel tegen de beroepsgroep die ik vertegenwoordig, die van de beroepsexplicateurs.

Voor wie er kennis van wil nemen, hieronder het volledige artikel.

Omdat ik me wel eens vrolijk maak over bepaalde kunstuitingen krijg ik geregeld van kenners te horen dat ik geen verstand heb van kunst. Meestal zijn het beroepsexplicateurs en kunstsociologen. Dat ik geen verstand heb van kunst is tot daaraan toe. Ik heb ook geen verstand van het weer en toch durf ik er een lief ding om te verwedden dat het nat is als het regent. Maar er zijn ook kunstgoeroes die beweren dat ik niet van kunst zou houden.

Ik weet niet goed wat ik daarvan moet denken. Houd ik van de liefde? Houd ik van het hemelgewelf? Wat is dat, houden van kunst? Is kunst een troeteldier, een knuffelbeer? Bestaat er een liefdesgebod? Blaast de kunst haar laatste adem uit als iemand niet genoeg van haar houdt?

De officiële kunstgoeroes, ja, die houden van kunst. Die staan op de uitkijk om de onverschilligen en slechtgezinden te betrappen. Die rennen naar de liefdespolitie als er ergens een wenkbrauw wordt opgetrokken.

En altijd speelt weer mee dat kunst er is voor de deskundigen en dat amateurs hun mond moeten houden. Je hebt vakmensen en leken. Kunstgoeroes hebben een vak en wee degene die zich waagt op hun graasterrein.

Ze zijn bang dat je aan hun broodwinning komt, maar dat zeggen ze er nooit bij.

Het ontbreekt jou aan de ware liefde, dat is het. Ze missen je bijval, enthousiasme, waardering. Voor hun favoriete rotzooi, maar dat zeggen ze er nooit bij.

„Kunst is bedoeld voor mensen die er iets mee kunnen, zo eenvoudig is het”, werd me kort geleden toegevoegd door een kunsthistoricus. Ja, zo eenvoudig is het. Dat de historicus zelf er wel degelijk ‘iets mee kan’ bleek duidelijk uit zijn curriculum. Onderwijsinstellingen kunnen hem inhuren voor lezingen en cursussen over kunst, hij kan recensies leveren en voorwoorden bij kunstcatalogi, hij geeft particulieren en bedrijven ‘onafhankelijk’ advies bij het kopen van hedendaagse kunst en met een pianist reist hij het land door met theatervoorstellingen waarin ‘met woord, muziek en beeld een bepaalde kunstperiode tot leven wordt gebracht’.

Ik zie het voor me. Expressionisme, minimalisme. Zo’n man houdt van kunst.

Ik begrijp de kunstgoeroes wel. Zij moeten maar ophemelen en aanbevelen en andere slaapverwekkende dingen doen.

Af en toe lukt het ze een wethouder te adviseren bij de keuze van een hedendaags beeld op een verkeersrotonde.

Daar moet een harteloze zich buiten houden.

5 reacties

Komrij over kunst

Als er een ding is dat Gerrit Komrij met z’n stukjes over kunst in de NRC intussen wel heeft duidelijk gemaakt is dat hij weinig met kunst opheeft en al zeker niet met de moderne. Geen probleem, zou ik zeggen, komt vaker voor.

Nergens ontvalt de schrijver ook maar een waarderend woord. Niet dat de kunst dat persoonlijk moet opvatten. Immers, wie heeft deze beroepsbrombeer ooit wél op spontane uiting van bijval of enthousiasme kunnen betrappen? Past niet bij zijn imago en zou hem vervreemden van zijn bewonderaars.

Dat hij weinig met zijn onderwerp opheeft weerhoudt hem er overigens niet van om telkens weer opnieuw zijn pen te slijpen en heel zijn imposante misnoegen in stelling te brengen. Meer nog dan op de kunst en de kunstenaars zelf richt hij daarbij zijn pijlen op de museumdirecteuren, conservatoren en critici. En tja, het moet gezegd, wat dezen aan teksten produceren is vaak inderdaad tenenkrommend; gefundenes Fressen voor iedereen die er eer in legt om pretenties te ontmaskeren.

Punt blijft dat wat aanvankelijk nog werkte als als een vrolijke exercitie van een briljante polemist, gaandeweg verworden is tot een even voorspelbare als saaie riedel. Dat komt omdat Komrij blijft hangen bij de uiterlijke verschijningsvormen van iets dat zich in zijn aard en wezen blijkbaar aan zijn waarneming onttrekt. Hij begrijpt er gewoon niet veel van, niet omdat hij er te dom voor is maar omdat hij er geen voeling mee heeft. Nogmaals, wat zou dat? Kunst is bedoeld voor mensen die er iets mee kunnen, zo eenvoudig is het.

Wat is dan toch de reden van zoveel onbestemde aandacht? Een dieper liggend besef buitengesloten te zijn van een belangrijk deel van het culturele debat? Wellicht. Komrij is nog van de generatie intellectuelen die het als haar opdracht ziet om zich het culturele en artistieke leven als geheel toe te eigenen en er een oordeel over te vormen. Bescheidenheid heeft hierbij geen pas. Je hebt gezag of je hebt het niet. Gerrit dus wel.

1 reactie

Lataster in Van Bommel Van Dam

Onlangs schreef ik nog over zijn werk naar aanleiding van de opening van een tentoonstelling in de Barbarakerk in Culemborg (zie Atelier met kruk): Ger Lataster, 90 jaar inmiddels, nog altijd actief en de schilder waarvan gezegd wordt dat hij de laatste nog echte is. En dat daar zijn goede redenen voor. Kom naar de overzichtstentoonstelling in Museum Van Bommel Van Dam in Venlo en laat je overtuigen door de beheersing van de techniek van olie op doek, de grootse thematiek en de dito zeggingskracht, door de identiteit van stijl en maker.

Ger Lataster in Van Bommel Van Dam met vooraan Madrileense wurgochtend, 1964

Alleen al de titels: Brandende lucht, Zonder titel (Vietnam), Madrileense wurgochtend of, van een van de laatste werken: Gevallende op barricade. Het zijn dramtaische historiestukken op groot formaat. Voor minder doet de schilder het niet. En trouwens is dat niet waar een groot talent toe verplicht: te getuigen?

Ger Lataster, Madrileense wurgochtend, 1964, detail

Je zou er ook zo naar kunnen kijken: Ger Lataster hoort tot de  laatste generatie die gerekend kan worden tot de geschiedenis van de moderne kunst. Tot de schilders die gestalte hebben gegeven aan het dramatische verhaal van het zich bevrijdende individu in een verscheurde wereld. Een verhaal dat begon in de romantiek van de late 18e eeuw en dat in de late 20e van een groots slotakkoord werd voorzien. Schilderkunst als deze zal wellicht nooit meer gemaakt worden. Al was het maar omdat het mens- en wereldbeeld dat eraan ten grondslag ligt niet meer van toepassing is en we mede daarom ook niet meer beschikken over de ervoor benodigde energie en overtuigingskracht.

Ger Lataster, Brandende lucht, 1957

In Venlo hangen ze bij elkaar: enkele tientallen grote doeken uit alle fasen van zijn ontwikkeling, vanaf de jaren ’50 tot nu. Beladen beelden waarvan de intensiteit van verf en kleur en de energie van ritme en gebaar spreken van een engagement en een vereenzelviging die wij niet meer kennen maar misschien daarom juist des te meer waarderen.

Ger Lataster, Na aan het hart, Museum Van Bommel Van Dam, Venlo, t/m 6 september

1 reactie

Free Sol LeWitt

Superflex in het Van Abbemuseum

Wie belangstelling heeft voor een gratis replica van een muurreliëf van de beroemde Amerikaanse kunstenaar Sol LeWitt kan nog tot terecht in het Van Abbemuseum. Hier heeft het Deense kunstenaarscollectief SUPERFLEX de centrale tentoonstellingsruimte van de oudbouw omgebouwd tot werkplaats waar met professionele middelen de productie van de kunstwerken plaatsvindt. De bezoekers kunnen hier alle fasen van het proces volgen, zich inschrijven voor een exemplaar en te zijner tijd het kunstwerk komen ophalen: een fors object van wit gelakt aluminium, helemaal volgens het ontwerp uit 1972.

Free Sol LeWwitt heet het project, een titel die zich op twee manieren laat lezen: Gratis Sol LeWitt of Bevrijd Sol LeWitt. Beide betekenissen zijn van toepassing.

Sol LeWitt, 1972, Untitled (Wall Structure)

De vraag is natuurlijk: wat onderscheidt de hier geproduceerde Sol LeWitt van het origineel, dat trouwens deel uitmaakt van de tentoonstelling? En natuurlijk ook: mag dit zomaar?

De site van het Van Abbe geeft geen eenduidige antwoorden. Wel lezen we dat het project deel uitmaakt van een tentoonstelling die gewijd is aan de minimale en conceptuele kunst van de jaren zestig, een periode waarin veel kunstenaars zich radicaal verzetten tegen de macht van het grote geld en het kunstwerk als uniek handelsobject ter discussie stelden. Onder andere door het industrieel, in serie te vervaardigen. Een gedachtegoed waar SUPERFLEX op eigentijdse wijze aansluiting bij zoekt.

Sol LeWitt zelf ging nog verder door boeken uit te geven met gedetailleerde instructies voor de vervaardiging van kunstwerken naar zijn ontwerp:  freeware avant la lettre!

Heel interessant in dit verband zijn ook de Sentences on Conceptual Art die de kunstenaar in 1969 publiceerde; 35 ‘regels’ waarin de kunstenaar zijn ideeën samenvat. Regel 32: Banale ideeën kunnen niet worden gered door een fraaie uitvoering. Of regel 19: De kunstenaar kan zich geen voorstelling van zijn werk maken of het waarnemen voordat het klaar is.

Overigens, een van de werken op de tentoonstelling is de video met John Baldessari, die als eerbetoon aan zijn grote collega en tijdgenoot, alle 35 Sentences zingend ten gehore brengt. Geestrijke jongens.

John Baldessari, 1972, Baldesarri sings LeWitt

Nog tot 5 september in het Van Abbemuseum.

reageer

Nicolas de Staël

De laatste schilderijen op de tentoonstelling zijn zó anders dat je er niet aan ontkomt er een aankondiging van het naderende einde in te zien.

Als Nicolas de Staël in maart 1955 zelfmoord pleegt – of zoals de Fransen het uitdrukken: zichzelf de dood schenkt – is hij 42 jaar oud en in de bloei van zijn schildersleven. De voorafgaande tien jaar heeft hij stap voor stap een eigen, zeer herkenbare stijl ontwikkeld en is hij uitgegroeid tot een van de belangrijkste Europese vertegenwoordigers van de lyrisch abstracte schilderkunst.

Nicalas de Staël, Composition Grise, !947-50, 200 x 400 cm

De overzichtstentoonstelling in de Fondation Pierre Gianadda in het Zwitserse Martigny brengt alle fasen van zijn ontwikkeling in beeld. Van de eerste dynamische composities in de stijl van de Ecole de Paris, via de bekende monumentale paletmesdoeken tot aan de vluchtig gepenseelde laatste werken. Met al die schilderijen bij elkaar realiseer je je pas goed hoezeer deze kunst het product is van een tijd die gebukt ging onder het gewicht van de geschiedenis en waarin elk woord, elke noot en elke penseelstreek in het teken stond van de zoektocht naar de waarheid. Schilderen was voor De Staël de totale sensitiviteit, de volledige overgave en de bereidheid om ten onder te gaan voor een glimp van triomf. Met elk nieuw doek begon de strijd weer van voor af aan. Tegen de ontzagwekkende grootsheid van het lege witte vlak, tegen de inertie van de materie, het verlies van concentratie, tegen het besef vooral ook dat alles ijdel is, onderworpen aan het menselijke tekort. Voor hem was een goed schilderij evenzeer gedragen door de idee als door de waarneming, het was noch abstract, noch figuratief. Louter dienstbaar aan de kunst was het zuiver gedefinieerd in termen van kleur en licht, van ruimte en materie, gedacht in zijn unieke vermogen het bestaan in zijn geheel te omvatten en een daarmee een diepere waarheid te openbaren. Het was aan de schildert om hiervoor de weg vrij te maken. Elke dag weer opnieuw.

Een onmogelijke opgave.

Nicalas de Staël, Paysage, 1952, 38 x 55 cm

Nicolas de Staël 1945-1955, Fondation Pierre Gianadda, Martigny, t/m 21 november

reageer