Ellsworth Kelly

Ellsworth Kelly, Dark Grey with White Rectangle II, 1978,

Ellsworth Kelly, Dark Grey with White Rectangle II, 1978

Het moet ergens eind jaren negentig zijn geweest. De Fondation Beyeler was de grote nieuwe kunstattractie en samen met collega Ruud was ik er met een groep voor een rondleiding. Wat een gebouw en wat een collectie! Ik denk niet dat ik mijn verhaal ooit beter en aangenamer heb kwijt gekund dan hier. Alle belangrijke namen en stromingen waren met alleen maar topwerken vertegenwoordigd. Je kon zó, van de ene zaal naar de andere lopend, de hele geschiedenis van de moderne kunst in beeld brengen. Van Cézanne via Matisse en Picasso tot aan Giacometti en Warhol. En dat in die fantastische ruimte van Renzo Piano.
Opgetild door al dat moois, liep ik na afloop nog even met Ruud door het museum om uit te komen bij een werk van Ellsworth Kelly. Spontaan stootten we elkaar aan met een blik van: dít is ‘m! Geen Madame Cézanne en fauteuil jaune, geen Nu bleu van Matisse, ook niet een van de prachtige Picasso’s maar dit tot het uiterste gereduceerde Dark Grey with White Rectangle II.
Was het de schilderkunst zelf die dit deed of was er ook iets anders in het spel? Kelly is een geweldige schilder maar of hij ook van het kaliber Picasso-Matisse is? Toch vertegenwoordigde hij voor ons iets wat hem ver boven de klassiekmoderne meesters deed uitstijgen. Zijn werk stond niet alleen voor een esthetisch optimum, het verbeeldde ook iets veel groters: een idee van wie we wilden zijn.
Deze dimensie van het werk ervoer ik voor het eerst op het grote overzicht van de kunstenaar in het Stedelijk Museum, najaar 1979. Eerder al waren er dit soort momenten geweest: op de HBS toen tekenleraar Hans Smeets dia’s van Monet liet zien, of een paar jaar later toen ik met mijn vriend Johan bladerend door kunstboeken Picasso ontdekte. Dat je het opeens ziet en je esthetische ervaringswereld in een klap wordt verruimd. Dat je een horizon ontdekt die al je kijken en denken van een nieuwe schaal voorziet. Dat je wordt losgewrikt uit je oude ik en een nog onontgonnen ruimte betreedt. De Kelly-tentoonstelling in het Stedelijk was ook zo’n moment van wording, alleen nu als een totale onderdompeling. Alsof die eerdere stappen hier pas hun bestemming vonden.
Als vlaggen hingen ze om me heen, superieur in hun helderheid en zeggingskracht, zonder iets van me te willen, zichzelf genoeg. Zó kon het dus ook. Ieder werk was als een autonome esthetische constructie gearticuleerd – vorm, maat en kleur, niet meer dan dat -, om vervolgens vóór je ogen op te lossen in de illusie van iets heel anders, iets dat uit louter gewaarwordingen en ideeën bestond. Met des te meer effect juist omdat het zo nadrukkelijk ding bleef: spieraam, doek en verf. Als dit eventueel moeilijk klinkt komt dat omdat het zo simpel is. Is niet de kracht van alle kunst dat het evenveel ding is als idee? Zichzelf en tegelijkertijd iets heel anders? Wat Kelly onderscheidt is dat hij dit inzicht tot de essentie van zijn werk maakte en al het andere wegliet. Precies wat Dark Grey with White Rectangle II laat zien.

Ellsworth Kelly, Blue Green Red, 1964-65

Ellsworth Kelly, Blue Green Red I, 1964-65

Zijn finest hour beleefde de kunstenaar in 2003. Ter ere van zijn 80ste verjaardag wijdde het Whitney Museum in New York onder de titel Red Green Blue een groots opgezette en prachtig ingerichte tentoonstelling aan de serie werken die tussen 1958 en 1965 ontstond. Blue Green Red I, een van de iconen uit de collectie van het Stedelijk was het stralende middelpunt van de show. Echt kippenvel om het dáár te zien hangen. Kelly op z’n best. Nooit eerder en nooit later was schilderkunst zó eenvoudig, zó helder en zó krachtig tegelijk.

Ellsworth Kelly overleed afgelopen zondag op 92-jarige leeftijd in Spencertown, New York.

Mach dich hübsch

Isa Genzken, Ohne Titel, 2005

Isa Genzken, Ohne Titel, 2005

Mach dich hübsch, de titel van de tentoonstelling zegt het helemaal. Isa Genzken maakt kunst die niet alleen aantrekkelijk is, maar die je ook uitdaagt. Met andere woorden: wat het ‘m doet is niet alleen de superieure kwaliteit van het werk maar misschien meer nog de geesteshouding die er uit spreekt.
In een recente video zien we de kunstenaar in kennelijke staat met haar ook-niet-meer-zo-jonge minnaar dansend voor de spiegel. In slip en bh. Als ook die laatste uitgaat is de dronkemanspret compleet. Pose of niet, feit is dat haar optreden als dorpsgek het treffende tegenbeeld vormt van de enorme werkdrift en discipline die Isa Genzken in het Stedelijk tentoon spreidt. Mach dich hübsch is een bijna overdadige tentoonstelling, in veelheid én kwaliteit. Lopend van zaal naar zaal zuig je je vol met beelden die even terloops als verfijnd zijn, even exorbitant als intelligent. Wat je misschien wel het meest in het werk bewondert is dat het in heel zijn ongeremdheid honderd procent kunst blijft. Helder, geestrijk en streng, maar zó licht opgediend dat je er nooit genoeg van krijgt.

Isa Gensken,  Sculpturen, 1977-81

Isa Gensken,  Sculpturen, 1977-81

Je bezatten aan het leven, je ongeremd overgeven aan alles wat het bestaan te bieden heeft, zonder houvast en zonder vangnet, de kunst van Isa Genzken is in de eerste plaats een ode aan de vrijheid. De tentoonstelling laat mooi zien hoe ze deze zelf veroverde. Al vroeg maakte ze naam met vloersculpturen die van een grote kundigheid en visie getuigden. Langgerekte, kleurrijke constructies van hout, organisch en geometrisch tegelijk, zich eigengereid aan elke bestaande categorie onttrekkend. Al snel daarna gooide ze alle remmen los om zich te laten meevoeren door de beeldenvloed die inmiddels van de wereld bezit had genomen. De adel van de zuivere kunst maakt plaats voor de wegwerpbeelden en -materialen van de massacultuur.

Isa Genzken, Der junge Gewichtheber, 2004

Isa Genzken, Der junge Gewichtheber, 2004

Fuck the Bauhaus is de titel van een omvangrijke serie recente werken. Isa Genzken celebreert er op geestrijke wijze haar vrijheid mee en neemt nogmaals resoluut afstand van de esthetica van het modernisme. Ze doet dat met een kunst die, net als de wereld waarin ze functioneert, zó gelaagd en veelzijdig is geworden dat ze alles tegelijk kan zijn.
Verleid! Sier je op! Isa Genzken doet het ons voor. En hoe!

Isa Genzken, Mach dich hübsch, Stedelijk Museum Amsterdam, tot 6 maart

Kapoor versus Rembrandt

Kapoor, Anish, 2013-15, Internal Object in Three Parts, K15, 03

Anish Kapoor, Internal Object in Three Parts, 2013-15

Hoe het allemaal gegaan is wordt nergens duidelijk. Wie nam het initiatief? Wat was de aanleiding om juist Kapoor te vragen? Waren diens werken er al of zijn deze pas ná de uitnodiging tot stand gekomen?
Never mind, wat telt is dát ze er hangen en ons uitdagen met nieuwe ogen naar kunst te kijken. Naar Rembrandt in het bijzonder.

Kapoor, Anish, 2013-15, Internal Object in Three Parts, K15, 02

In een interview in de NRC vorige week benadrukt de Britse kunstenaar dat het hier om een dialoog gaat en niet om een competitie. Die zou hij alleen maar kunnen verliezen. En zo is het natuurlijk.
Een dialoog dus, maar hoe moeten we die dan verstaan? Noch van de teksten van het Rijks, noch van het interview worden we veel wijzer. Ja dat ‘Kapoor aansluit bij de schilderkunstige traditie van Rembrandt van Rijn, Chaïm Soutine en Francis Bacon en thema’s als geweld, trauma en sociale en politieke onrust op de agenda zet’, maar verder, als het om de schilderkunst zelf gaat?
Misschien moeten we eerst maar eens bij Rembrandt te rade gaan.
Het schilderij dat niet in het Rijks hangt, maar door de aanwezigheid van Kapoors werken wél voortdurend voor je geest komt, is diens De gevilde os in het Louvre. Een geweldig schilderij dat gruwelijk en mooi tegelijk is en alleen daarom al met groot gemak de eeuwen trotseert.

Rembrandt, De gevilde os, 1655

Rembrandt, De gevilde os, 1655

Het werk krijgt een specifiekere betekenis als we in de opgehangen os een geabstraheerd beeld van de kruisiging herkennen, losgeweekt uit de Christus-mythe en overgeheveld naar het nabije leven. Rembrandt schilderde het wellicht voor een humanistisch geschoolde clientèle die aangesproken wil worden op zijn vermogen om de grote bestaans- en geloofsvragen op persoonlijke titel tegemoet te treden. Met dit rauwe en pakkende beeld daagde de schilder de moderne kijker niet alleen uit om de vergankelijkheid recht in de ogen te kijken maar ook om de vitaliteit van pure schilderkunst te ervaren. Als een tegenkracht die ten diepste raakt aan het mysterie van zowel het bestaan als van zijn vak: hoe uit materie die in beweging is gebracht het leven zelf spreekt.
Op dit punt met name komt ook Kapoor weer in beeld. Ook hem gaat het niet om de gruwel van het abattoir maar om een poging dieper door te dringen in het wezen van de schilderkunst. Hoe ieder schilderij ook een lichaam is. Met een huid die opengebroken kan worden om zicht te bieden op zijn substantie.

Kapoor, Anish, 2013-15, Internal Object in Three Parts, K15, 08
Maar er is meer: de dialoog in het Rijksmuseum stelt ook op uitdagende wijze de vraag aan de orde welke betekenis geschiedenis voor ons heeft. Waar deze laatste zich vanaf de vroege negentiende eeuw ontwikkelde tot een gezaghebbend instituut dat een groot verhaal uitdroeg – Cuypers’ museum is er dé belichaming van -, is ze in de eenentwintigste eeuw de caleidoscopische spiegel geworden van een oneindig complexe werkelijkheid. Mét de wereld is ook de geschiedenis in scherven uiteen gevallen.
Toch is er in de kern minder veranderd dan we denken. Het grote verhaal mag dan plaatsgemaakt hebben voor een veelheid van vertellingen, de thematiek is daarmee niet persé anders geworden. Wél wordt deze op een toegankelijkere, menselijkere manier aan de orde gesteld. Kapoor laat zien hoe het kan werken. Hij verstaat zich, als kunstenaar van nu, vanuit zijn persoonlijke belangstelling met Rembrandt en opent al doende onze ogen voor de tijdloze, universele aspecten van diens werk. De zeventiende-eeuwse meester wordt opeens ook de moderne materie-schilder die, bevrijd uit het keurslijf van de geschiedschrijving, veel dichter bij ons staat dan we ooit dachten.

Musea in de knoop

Museum Van Bommel Van Dam

Museum van Bommel van Dam, Venlo

De feiten zijn zoals ze zijn en voor een klaagzang is geen enkele reden, maar we moeten het er wél over hebben: de teloorgang van de musea. Het feit dat er dit najaar nergens in Nederland een tentoonstelling te zien is waar je opgewonden van kan raken. Een veeg teken? Ik ben bang van wel. Nooit eerder was het aanbod zo schraal, nooit eerder ook was het besef dat we zijn afgehaakt zó dringend.
Natuurlijk, Charlotte Dumas maakt goede foto’s. Van paarden, te zien in De Pont. Zero-kunst in het Stedelijk biedt een mooi overzicht van een beweging die een halve eeuw geleden voor heel wat reuring zorgde. De Ceramix-tentoonstelling in het Bonnefanten is een must see. Maar echt opwindende kunst? Kunst van nu? Kunst die je bij de les houdt?
Nergens dus.
Verklaringen zijn er genoeg. Het gegeven bijvoorbeeld dat er wereldwijd ook in de kunst een proces van professionalisering, commercialisering en schaalvergroting gaande is en wij als kleine speler steeds minder meetellen. Of dat mét het draagvlak voor kunst ook de budgetten krimpen en de musea steeds meer in een defensieve kramp terechtkomen. Met amper nog de middelen en de mensen om aan hun primaire taken te voldoen en noodgedwongen terugvallend op collectie-presentaties.
Maar er speelt meer. Gisteravond was ik in Venlo op een bijeenkomst over de toekomst van Museum van Bommel van Dam. Aanleiding was de voorgenomen verzelfstandiging van het instituut, die – hoe kan het ook anders – gepaard gaat met een forse reductie van de gemeentelijke subsidie. Een avond met supporters onder elkaar, vol goedbedoelde adviezen, harten onder de riem en heel veel wishfull thinking. Niemand die de feiten noemde. Dat je in het museum een kanon kunt afschieten, óók in het weekend. Dat van de pakweg twaalfduizend bezoekers per jaar, er bijna de helft scholier is en de rest bejaard. Dat er op elk verkocht ticket meer dan honderd euro bij moet om de boel draaiende te houden. Dat de gemeente geen idee heeft wat ze met het museum aan moet, maar er wel van overtuigd is dat een stad als Venlo niet zonder kan. City-branding heet dat, het museum als uithangbord.
De wethouder van dienst gaf geen krimp en hield de bijeenkomst doodleuk voor wat voor een kostbaar en prachtig bezit het Van Bommel Van Dam wel niet is. Dit klinkt niet cynisch het is cynisch.
Wat in Venlo speelt is in principe ook elders aan de orde. Veel regionale en lokale kunstmusea ontstonden na de oorlog in een golf van Bildungsidealisme. De meeste zijn inmiddels hard op weg een relict van een oude wereld te worden. Veroordeeld tot een zieltogend bestaan aan een zuinig infuus. De cultuur van nu gaat grotendeels aan hen voorbij en het volk waar de kunst naar toegebracht moest worden is er niet meer.
Mooier dan dat is het niet. Alle reden om jezelf nieuw uit te vinden.

Entartet

Luit, Chaim van, 2015, Entartet

Een reconstructie of een monument? Een Mahnmal of een poging om het verhaal nieuw te schrijven? Chaim van Luit schept met Entartet # 13 een beeld dat tot denken stemt.
Het kunstwerk maakt deel uit van een reeks van zestien geheel witte schilderijen die verwijzen naar werken die door de nazi’s als entartet werden bestempeld en vervolgens in de oorlogsjaren zijn verdwenen. Van kunst dus waarvan het bestaan door de tijd is uitgewist.
In al zijn eenvoud roept het doek een grote rijkdom aan beelden en associaties op. Dat deze zich niet onder een noemer laten rangschikken en elkaar soms danig in de weg zitten maakt dat je als toeschouwer zelf aan de slag moet. Wat alleen maar lukt als je bereid bent om overgeleverde ideeën los te laten.
Eerst enkele relevante feiten. In juli 1937 werd op gezag van de nazi’s in München de tentoonstelling Entartete Kunst ingericht. Te zien waren zo’n zeshonderd moderne kunstwerken uit de vroege twintigste eeuw, van expressionisme tot dada en van kubisme tot abstracte kunst. De schilderijen en sculpturen werden gepresenteerd als op een rommelmarkt en waren met honende teksten omringd. ’Entartet’ sloeg op het ontaarde, gedegenereerde karakter van deze kunst en de zieke, decadente geest waar ze uit voort was gekomen. Een geest die in het recente verleden de Duitse cultuur had ondermijnd en verzwakt.
Veel van de geëxposeerde werken zijn na de tentoonstelling verdwenen. Vernietigd, verkocht of anderszins in het oorlogsgeweld verloren gegaan. Joodse kunstenaars waren uiteraard ruim vertegenwoordigd, waaronder ook Conrad Felixmüller, de maker van Glückliches Paar uit 1921, het expressionistisch schilderij waar Entartet # 13 aan herinnert.
Met zijn lege replica maakt Chaim van Luit het verlies van Felixmüllers schilderij tastbaar. Je kijkt naar de afwezigheid van het beeld. Evengoed echter heeft het nieuwe werk zijn eigen bestaan, dat van een wit, abstract doek dat zich met zijn matte, korrelige huid nadrukkelijk als autonoom object manifesteert.
Hoe verhoudt dat laatste zich met het origineel? Op zoek naar een antwoord ontstaan weer reeksen nieuwe vragen. Was de abstracte kunst zelf niet ook een poging tot zuivering? Witgekalkte schilderingen? Dat is natuurlijk ook de beeldenstorm. Bijvoorbeeld die van óns in de zestiende eeuw, toen opstandige protestanten de kerken van alle beelden zuiverden. Maar ook het iconoclasme van de byzantijnse, de islamitische én de joodse cultuur.
De witte verf waarmee het doek is beschilderd, is gemaakt van de kalk die de kunstenaar van de wanden van Duitse bunkers schraapte. Een gegeven dat aan dit alles nog een extra lading toevoegt. De cirkel is rond maar een antwoord blijft uit.

Chaim van Luit, Entartet, 2015 is een nieuwe aanwinst in de collectie van Art21.

Getuttebel

Getuttebel

Op het gevaar af voor ouwe zeur door te gaan: er moet me iets van het hart. Ik weet wel, kunst van nu is bevrijd van de last van grote ideeën, het ambacht is in ere hersteld en schilderijen mogen weer gewoon mooi zijn. Niets op tegen. Ook niet tegen lekker zelf creatief bezig zijn, al is het maar kleurtjes invullen in een kant-en-klare tekening.
Maar om dan maar meteen elke kwaliteit of betekenis over boord te gooien? Of zelfs iedere poging daartoe?
In de Volkskrant van afgelopen vrijdag was een fraai staaltje te zien van de snel om zich heen grijpende hersenverweking. Ondergrondse glorie heet het artikel: ‘kunstenares Diana Scherer dresseert plantenwortels zodat ze in fraaie vormen groeien.’ Een dubbele pagina met vier foto’s ter illustratie: tapijtpatronen gemaakt door de natuur. Mijn broek zakte erbij af.
Het artikel vertelt wat er allemaal wel niet bij kwam kijken om tot dit resultaat te komen, hoe wetenschap en kunst de handen ineensloegen. De kunstenaar zelf heeft het erover dat ze ‘de verhalen van boven de grond wil verbinden met de wereld onder de grond’, en ziet nieuwe verhalen voor zich over ‘de geneeskrachtige en rituele betekenis van planten’.
Mijn vriend Frie zal wel weer vinden dat ik ‘zurig’ ben. Nou ja, dat mag zo zijn, maar zó bruin worden ze toch zelden gebakken? Als kunstig voor kunst door moet gaan en dit soort borduurwerk door een landelijke krant serieus genomen wordt, waar kun je dan nog terecht?
Wat die krant betreft: in dezelfde editie las ik boven een artikel van Eric van den Outenaar de volgende kop: ‘Lage olieprijs is een gemengd genoegen’. Een paar pagina’s eerder schreef Peter de Waard in een necrologie dat Job de Ruiter ‘aan de voet stond van de abortuswetgeving’. Dat taal voortdurend verandert? Oké. Dat het verschil tussen hen en hun vervaagt en het uiteindelijk ‘het meisje, die’ gaat worden? Waarom zou je je er tegen verzetten?
Maar dat is iets heel anders dan dat het er niet meer toe doet. Dat alle kritisch vermogen vervaagt. En dat we om als kunstenaar door het leven te gaan alleen nog maar hoeven te doen alsof.